Humanisme in de Dubbelmonarchie rond het fin de siècle

Centraal Europa

Achteraf kan men misschien stellen dat het Europese humanisme zijn finest hour beleefde rond 1900. Dit Centraal Europees humanisme werd in hoge mate gekleurd door de seculiere joodse cultuur. Kenmerkend waren humanistische waarden, een kosmopolitische oriëntatie en een vertrouwen in een verlichte internationale gemeenschap. Er was sprake van een algemeen gedeeld optimisme en vooruitgangsgeloof: men dacht het hoogtepunt van de geschiedenis te beleven.

Koffiehuis Spolarits in Budapest, 1910

Optimisme, hoop en vertrouwen
Deze tijd van optimisme en schijnbaar eindeloze vooruitgang is door niemand treffender opgeroepen dan door Stefan Zweig. Zo schrijft hij in zijn autobiografische Die Welt von Gestern, De wereld van gisteren (1940):

'Nog nooit was Europa sterker, rijker en mooier geweest, en nog nooit had het vaster geloofd in een toekomst die nog beter zou zijn.'

Zelf was Zweig een exponent van het Centraal-Europese humanisme dat zijn gouden tijd beleefde in de steden van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie tussen 1870 en 1914 - de stichting van de Dubbelmonarchie en het begin van de Eerste Wereldoorlog.

Wetenschap en technologie boden een toegenomen welvaart voor steeds meer Europeanen. Democratiseringsprocessen voorzagen stap voor stap grotere groepen van rechten en zeggenschap. Kunst en literatuur bloeiden in Europa's grote cultuurtuin. Telkens werden weer de schitterendste vruchten voortgebracht: van de schilderijen van Edgar Degas, Vincent van Gogh, Egon Schiele en Oskar Kokoschka tot de romans van Stendhal, Gustave Flaubert, George Eliot, Lev Tolstoj en Fjodor Dostojevski.

Het optimisme werd weerspiegeld in vooruitgangsfilosofieën als die van John Stuart Mill, Auguste Comte en Georg Wilhelm Friedich Hegel (zie over Hegel ook Karl Poppers en Ludwich Feuerbachs - kritische - besprekingen). Zoals Voltaire had voorspeld dat politieke martelingen definitief tot het verleden behoorden, zo sprak nu Matthew Arnold zijn verwachting uit dat er nooit meer boeken verbrand zouden worden en verklaarde Hegel dat als de mens ooit nog zou vallen, dat tenminste omhoog zou zijn.

Een eindeloze lijst van beroemde namen is met het seculier joodse gekleurde humanisme verbonden: naast Stefan Zweig bijvoorbeeld ook de schrijvers Arthur Schnitzler en Karl Kraus en Joseph Roth; de componisten Gustav Mahler en Arnold Schönberg, en de filosofen Martin Buber en Ludwig Wittgenstein.

De Eerste Wereldoorlog
Maar de Eerste Wereldoorlog bracht een grondige verandering in het Europese zelfbeeld teweeg. Direct na de oorlog vroegen filosofen en schrijvers zich af hoe de barbarij plaats had kunnen vinden in het hart van de cultuur die zich beriep op haar hooggestemde humanistische idealen van redelijkheid, vrijheid en gelijkheid. De Amerikaanse Modernistische dichter Ezra Pound karakteriseerde in zijn gedicht Hugh Selwyn Mauberley (1920) het naoorlogse Europa als 'an old bitch gone in the teeth'. De Amerikaans-Britse dichter T.S. Eliot verwoordde zijn wanhoop over de westerse cultuur in het gedicht The Waste Land (1922), net als Thomas Mann in zijn monumentale roman Der Zauberberg (1924).

Hoewel de Eerste Wereldoorlog zeker niet het einde van het humanisme als dominante denkstroming betekende, was de kiem van de twijfel gezaaid. Waren de ideeën van het humanisme en haar vooruitgangsgeloof eigenlijk wel juist? Was het humanisme niet te argeloos? Was de aanname dat kennis en cultuur samenhangen met moraliteit wel houdbaar? Deze twijfel en dit gevoel van vervreemding, dat werd verbeeld in het werk van uiteenlopende schrijvers als Franz Kafka, Hermann Broch, Hugo von Hofmannsthal en de psychoanalyticus Sigmund Freud, leidden het afscheid van de humanistische vooruitgangsdroom.

Eenzelfde twijfel over de houdbaarheid van het humanisme is te zien na de Holocaust.

Auteur van dit venster - Dr. Jeroen Vanheste