Geestelijke Weerbaarheid

Het begrip geestelijke weerbaarheid is in het Nederlandse humanisme onlosmakelijk verbonden met de naam van Jaap van Praag (1911-1981). In zijn openingsrede bij de oprichting van het Humanistisch Verbond, op 17 februari 1946, onderscheidde hij twee strijdpunten voor het kersverse HV: naast de ‘kleine strijd’ voor emancipatie en gelijkberechtiging van buitenkerkelijken zette Van Praag vooral in op de ‘grote strijd’ van het humanisme voor geestelijke weerbaarheid, gericht op mensen zonder kerkelijke binding, vaak zonder expliciete levensbeschouwing, die in zijn ogen het gevaar liepen tot nihilisme te vervallen. Is de door Van Praag geagendeerde strijd voor geestelijke weerbaarheid vandaag nog steeds actueel? En zo ja: hoe, door wie, en voor wie moet deze strijd dan worden gevoerd?

Herkomst

Van Praag raakte tijdens zijn onderduik in de Tweede Wereldoorlog, waartoe hij als jood was gedwongen, ervan overtuigd dat het nazisme in de jaren dertig zo om zich heen had kunnen grijpen doordat het de meeste mensen ontbrak aan geestelijke weerbaarheid tegen dergelijke valse ideologieën. Hij beschouwde het hebben van een levensbeschouwing, in het bijzonder het zingevingskader en de inspiratiebronnen die deze biedt, als de belangrijkste voorwaarde voor geestelijke weerbaarheid. Daartoe ontwikkelde hij in de traditie van Renaissance en Verlichting een humanistische levensbeschouwing, overigens niet in oppositie met religie. Integendeel, Van Praag beschouwde de kerken als bondgenoten in zijn ‘grote strijd’.

Jaap van Praag ontleende de term geestelijke weerbaarheid aan de religieus-humanist en antimilitarist Bart de Ligt (1883-1938), die hem sterk beïnvloedde. De Ligt wilde misstanden (het dwangkarakter van de staat, de onderdrukking van de vrouw en de gekleurde rassen) niet met materiële maar met geestelijke wapens bestrijden. Geestelijke weerbaarheid betekende voor De Ligt dat de mens vanuit eigen geestkracht veranderingen in de samenleving tot stand kon brengen, waarmee mens én samenleving door geweldloze strijd op een hoger plan konden komen. In 1966, in een rede voor het jubileumcongres na 20 jaar HV, meende Van Praag dat de kleine strijd was gestreden – gelijkberechting was min of meer gerealiseerd – maar dat de grote strijd om ‘de geest van de buitenkerkelijke mens’ urgenter was dan ooit: ‘Zal dat zijn een kleurloze, opportunistische of nihilistische geest, of een geest van zelfbewustzijn, doelbewustheid en creativiteit?’, zo waarschuwde hij. Overigens waren lang niet alle humanisten het eens met Van Praag dat de kleine strijd al gestreden zou zijn.

Is de door Van Praag geagendeerde strijd voor geestelijke weerbaarheid vandaag nog steeds actueel? En zo ja: hoe, door wie, en voor wie moet deze strijd dan worden gevoerd? Deze vragen vormden in 2010 voor de Universiteit voor Humanistiek aanleiding om geestelijke weerbaarheid nader wetenschappelijk te onderzoeken. Al snel bleek dat, internationaal, het thema onder de naam resilience (Nederlands: veerkracht) wereldwijd actueel is, zowel in wetenschappelijk onderzoek als in tal van praktische toepassingen. Eerst een kort overzicht daarvan, om vervolgens te zien hoe geestelijke weerbaarheid er vandaag uitziet.

Veerkracht: raadsel en toverwoord

Aan het begin van de 21e eeuw duikt resilience eerst op in de context van jeugdhulpverlening. Psychologische en andere studies staan voor het raadsel hoe het komt dat sommige kinderen ondanks ernstige ellende (opgroeien in een context van armoede, verlies, geweld, verslaving, misbruik, enzovoort) er sterk uitkomen en goed terecht komen, terwijl andere kinderen na vergelijkbare ellende voor hun leven getekend en getraumatiseerd zijn. Hoewel er sindsdien vele specifieke (deel)studies zijn gedaan, en er allerlei hypotheses zijn opgesteld, is het echte antwoord op dit raadsel nog niet gevonden. Hoe dat komt, zal verderop in dit artikel duidelijk worden.

Intussen is men ook steeds meer het belang van veerkracht voor andere levensfasen gaan zien. Zo geven Aging Studies, inclusief gerontologie en geriatrie, sinds enige jaren in toenemende mate blijk van het belang van veerkracht voor een geestelijk gezonde en zinvolle ouderdom. Verder verschijnt veerkracht steeds vaker in trainingen, cursussen en bijscholingen voor professionals en managers op tal van werkterreinen, niet alleen in zorg en hulpverlening.

Gemeenschappelijk aan deze vorm van veerkracht, van jeugd tot ouderdom en daartussenin, is dat veerkracht steeds in relatie tot adversity wordt begrepen. Deze Engelse term vat allerlei heel verschillende vormen van tegenslag samen: armoede, ziekte, afhankelijkheid, verslaving, misbruik, geweld, verlies van lichamelijke en geestelijke vermogens, ongeluk en pech. Veerkracht als zodanig maakt dergelijke ellende niet ongedaan, maar kan wel helpen deze te overkomen of te overwinnen, of als dat niet lukt, het uit te houden en ermee te leven.

Het is daarom niet verwonderlijk dat veerkracht vandaag sterk in opkomst is. Werden misstanden tot enige jaren geleden geweten aan ‘de maatschappij’, ‘het systeem’ of ‘de structuren’, tegenwoordig staan zelfredzaamheid, de eigen verantwoordelijkheid en zelfregie centraal in de gewenste omgang met adversity. In zo’n benadering staat het zelf centraal, en als dit nu maar een veerkrachtig zelf is, zo lijkt de gedachte, dan kan het ‘alles’ aan. Zo is veerkracht niet alleen populair, het is een toverwoord. Vandaar dat het opeens overal opduikt: op de opiniepagina’s van de kranten, als prominente route in de Nationale Wetenschapsagenda, en in een overstelpende hoeveelheid wetenschappelijke literatuur (letterlijk miljoenen hits).

Is geestelijke weerbaarheid hetzelfde als veerkracht?

Maar in hoeverre is veerkracht nu een (of de) actuele gedaante van geestelijke weerbaarheid? Het feit dat resilience als het Engelse equivalent van geestelijke weerbaarheid wordt gebruikt – soms nader gespecificeerd als mental resilience, spiritual resilience of moral resilience – vormt weliswaar een aanwijzing maar nog geen begrip. Een belangrijke gezamenlijke wortel van de levensbeschouwelijke geestelijke weerbaarheid zoals Van Praag die op de kaart zette, én van hedendaags onderzoek naar resilience, wordt gevormd door zingeving.

Kijken we bijvoorbeeld naar het onderzoek van het Resilience Research Centre (Halifax, Canada), een van de eerste en toonaangevende onderzoeksinstituten op het gebied van resilience (gericht op jeugdhulpverlening), dan blijkt dat men daar als bronnen van resilience hanteert: relaties met belangrijke anderen, identiteit, grip op gebeurtenissen en omstandigheden, cohesie (samenhang in overtuigingen), cultureel toebehoren, inclusief gedeelde waarden. In theorieën over zingeving zijn dit typisch aspecten – of in onderzoekstermen: operationaliseringen – van zingeving. Precies het betekenis kunnen geven aan gebeurtenissen en omstandigheden is een belangrijke bron van zowel geestelijke weerbaarheid als veerkracht.

Geestelijke weerbaarheid voor iedereen

Geestelijke weerbaarheid of veerkracht vanuit zingevingsbronnen betekent dat men een zekere zeggenschap over het eigen leven heeft, dat men handelingsruimte heeft, alsook interpretatieruime: dat men gebeurtenissen en omstandigheden kan duiden, ‘een plek kan geven’. Een zekere creativiteit dus in het beantwoorden van uitdagingen en tegenslag. Zodat men niet ‘omvalt’ onder tegenslag of druk van omstandigheden, maar terug kan veren. Terugveren is de letterlijke betekenis van resilience, dat afkomstig is van het Latijnse re-salire: terug-omhoogkomen. Deze betekenis is ook herkenbaar in synoniemen van resilience: taaiheid (hardiness), uithoudingsvermogen (endurance, stamina) flexibiliteit, standvastigheid (fortitude), vastbeslotenheid (resoluteness), en het prachtige maar moeilijk vertaalbare buoyancy: als een boei of zeebaken zijn, na onderdompeling weer opduiken (het Engelse buoy is, als zovele scheeps- en zeevaarttermen, afkomstig uit het Nederlands: boei).

Niet omvallen, zingevend terugveren vanuit tegenslag of druk, en zo een zekere interpretatie- en handelingsruimte creëren, oftewel een zekere mate van autonomie – dat is wat geestelijke weerbaarheid en de recent opgekomen resilience gemeen hebben. Maar terwijl resilience, zoals hierboven aangegeven, vandaag vooral het antwoord is op adversity, is het bereik van geestelijke weerbaarheid veel ruimer. Door de koppeling van resilience aan adversity, is resilience vooral iets voor mensen met problemen (armoede, ziekte, afhankelijkheid, verslaving, misbruik, geweld, verlies van lichamelijke en geestelijke vermogens, ongeluk en pech). Daarentegen is de geestelijke weerbaarheid uit de humanistische traditie voor iedereen van belang – niet alleen voor ‘mensen met problemen’, en ook niet in het bijzonder voor buitenkerkelijken, zoals Van Praag in zijn tijd voorstond. Voor iedereen: vanuit het humanisme gedacht moet men sowieso als mens geestelijk weerbaar zijn, of men nu in de problemen zit of niet.

Druk op onze wil

Maar weerbaar waartegen dan? Heel in het algemeen kan men zeggen, vanuit de veerkrachtmetafoor: tegen druk. Een veer geeft niet zomaar kracht; hij geeft zijn kracht pas bij druk. Dat kan de druk van concrete tegenslag zijn – de genoemde adversity – maar het is ook algemener: de kwetsbaarheid die ons mensen (en al het leven) eigen is. Een krachtige vorm van druk is de mimetische druk die met het menszijn gegeven is (en die trouwens ook voor ander dieren geldt).

Met mimetische druk (van mimesis = nabootsing) wordt bedoeld het gegeven dat wij ons in onze opinies, interesse, begeerte, smaak, ambities, enzovoort, sterk laten leiden door wat (in onze ogen belangrijke) anderen zeggen, vinden, doen, begeren, ambiëren. Mimetische mechanismen zijn zo vanzelfsprekend dat we er ons meestal niet eens van bewust zijn dat wat wij mooi, goed, interessant en belangrijk vinden in de mode is. Wij leven (gelukkig en hopelijk) niet zoals Van Praag in de context van nazisme, en ook laten wij ons vandaag weinig meer voorschrijven door de externe of ‘heteronome’ autoriteiten van kerk of staat. Maar dat betekent niet dat onze keuzes vanzelfsprekend autonoom of authentiek zijn. Vandaag zijn de media en de markten de krachtige autoriteiten die ons zeggen en voordoen wat goed en wenselijk is; die onze wil bepalen. Daartegen weerbaar zijn door er veerkrachtig mee om te gaan is hoogst actueel en urgent. 

De mimetische druk van de media en de markten is de hedendaagse heteronomie waartegen we vanuit humanistisch standpunt geestelijk weerbaar moeten zijn, zodat we – de heteronome druk veerkrachtig beantwoordend – een zekere mate van autonomie kunnen veroveren. Tegenover de druk van gewenste opinies, smaak, levensstijl, spullen, gadgets, vakantiebestemmingen, kwalen, en zelfs gevoelens die in de mode zijn, is autonomie niet vanzelfsprekend. Autonomie is mogelijk, en vanuit humanistisch oogpunt nodig, als een ruimte die vrijkomt door veerkrachtig om te gaan met al die heteronome druk. Inspirerende voorbeeldfiguren kunnen deze strijd om autonomie sterk ondersteunen.

Veerkrachtig vechten: iets dat je samen doet

Na deze analyse wordt ons begrip van geestelijke weerbaarheid al een stuk scherper. Geestelijke weerbaarheid is responsief en veerkrachtig: het is een antwoord of reactie op druk. Maar zij is, anders dan de term weerbaarheid suggereert, niet defensief. Geestelijke weerbaarheid pakt de tegenstand vast. En strijdt of danst ermee, zoals in de oosterse dans of vechtsport (martial art). Geestelijke weerbaarheid verschilt dus van oppositie, onthouding, afsluiting, hakken-in-het-zand. Geen ascese, geen sektarisme. Geestelijke weerbaarheid beweegt veerkrachtig mee, en buigt veerkrachtig terug.

Maar ons begrip is nog niet scherp genoeg. Tot hiertoe lijkt geestelijke weerbaarheid vooral een individuele eigenschap: iets dat je hebt, of niet, en dat je eventueel na oefening en training kunt verwerven. Ook hier kunnen we iets leren uit het actuele resilience onderzoek. In het al genoemde Resilience Research Centre wordt resilience niet in de eerste plaats als individuele competentie opgevat, maar als iets dat bepaalde sociale verbanden kunnen vertonen, social ecologies genoemd. Zoals natuurlijke ecologieën – een bos, een meer, een eiland, of de aarde als geheel – zich na een interne of externe crisis kunnen herstellen, na een ziekte of een meteoorinslag, zo kunnen ook sociale ecologieën zich herstellen van interne of externe bedreigingen, en zo veerkracht tonen. Een gezin met problemen, een schoolklas waarin gepest wordt, een afdeling in een organisatie waar crisis heerst, ouderen die zich geïsoleerd en overbodig voelen, een sportteam met interne rivaliteit, een legereenheid in vijandig gebied – het zijn allemaal voorbeelden van lossere of vastere sociale verbanden die, als sociale ecologie, veerkracht kunnen tonen. Als het gezin de problemen te boven komt, als het pesten in de schoolklas stopt zonder dat de gepeste als zondebok wordt uitgestoten, als de crisis op de afdeling of de rivaliteit in het sportteam door de groep wordt bedwongen, als de ouderen worden gezien en op waarde worden geschat, als men in de legereenheid blindelings op elkaar kan vertrouwen. Een sociaal verband van mensen die op elkaar zijn aangewezen, wordt een sociale ecologie als het verband veerkrachtig reageert op adversity en druk. Vaak veren zij dan niet zonder meer terug naar de oude toestand, maar veranderen zij; worden zij sterker. Dat geldt trouwens ook voor natuurlijke ecologieën die een crisis te boven komen. Daar ontstaat nieuw leven. 

Veerkracht en sociale ecologie hangen in deze opvatting dus wezenlijk samen. Ze definiëren elkaar, om zo te zeggen. Individuele veerkracht is afhankelijk van de sociale ecologieën waarvan iemand deel uitmaakt. Je kunt in deze opvatting, strikt genomen, niet in je eentje veerkrachtig zijn. Je bent veerkrachtig dankzij je sociaalecologische relaties. Daarmee kan ook het raadsel van veerkracht worden opgehelderd (waarom maakt tegenslag de ene mens sterk en de ander zwak?). Als je, zoals in veel sociale wetenschap, uitgaat van mensen als ‘dingen met eigenschappen’ – bijzondere dingen, dat wel, met bijzondere eigenschappen – dan vind je geen veerkracht. Omdat veerkracht geen eigenschap is. Veerkracht gebeurt in en áls sociale ecologie.

______________________________________________________________________________

Auteur van deze tekst: Prof. Dr. Joachim Duyndam

Verder lezen

• Baumeister, R. (1991). Meanings of Life. New York: Guilford Press.
• Derkx, P.H.J.M. (2013). Humanism as a Meaning Frame. In A.B. Pinn (Ed.), What Is Humanism and Why Does It Matter? (Studies in Humanist Thought and Praxis) (pp. 42-57) Durham, UK: Acumen.
• Duyndam, J. (2011). De liefde van Alcestis. Over relationele weerbaarheid en hermeneutische levensbeschouwing. Amsterdam: SWP.
• Duyndam, J. (2017). Humanism as a Positive Outcome of Secularism. In Ph. Zuckerman & J.R. Shook (Eds.), The Oxford Handbook of Secularism (pp. 706-720). Oxford: Oxford University Press.
• Gasenbeek, B. (2009). Jaap van Praag (1911-1981): een korte levensschets. In P. Derkx (samensteller), J.P. van Praag. Om de geestelijke weerbaarheid van humanisten. Het Humanistisch Archief / De Papieren Tijger.
• Machielse, J.E.M. (2011). Sociaal isolement bij ouderen: een typologie als richtlijn voor effectieve interventies. Journal of social intervention: Theory and Practice, 20 (4), 40-61.
• Ungar, M. (ed.) (2012). The Social Ecology of Resilience. A Handbook of Theory and Practice. New York: Springer