De interpreterende mens

Geesteswetenschappen

'Wat de geesteswetenschappen tot een wetenschap maakt, kan beter worden begrepen via de traditie van Bildung dan via de moderne wetenschappen. Het is de humanistische traditie waar we ons toe moeten wenden. Als verzet tegen de claims van moderne wetenschap, krijgt ze een nieuwe betekenis. (Gadamer, WM, pg 24 )


Wilhelm Dilthey

Humanisme, basis in de wetenschappen

Het humanisme baseert zich in haar visie op het leven, de maatschappij, de wereld en de kosmos in grote mate op de wetenschappen. Denk daarbij aan de natuurwetenschappen, de sociale wetenschappen, de geesteswetenschappen en de filosofie.
De geesteswetenschappen werden als specifieke tak van wetenschap in de 19e eeuw geïntroduceerd door Wilhelm Dilthey. De geesteswetenschappen richting zich niet op de natuur maar op de menselijke ervaring en de producten van de menselijke geest, zoals kunst, literatuur en religie. Terwijl bij de filosoof Kant de mens vooral een 'kennend' wezen is, wil Dilthey de mens als ervarend en interpreterend onderzoeken.

'Door de aderen van het kennende subject dat Locke, Hume en Kant construeerden, vloeit geen echt bloed, maar enkel het verdunde sap van de rede als niet meer dan een denkactiviteit. Ikzelf echter ben, door me (...) bezig te houden met de mens als geheel, ertoe gebracht om dit willende, voelende en zich verbeeldende wezen in alle verscheidenheid van zijn vermogens, ook tot het fundament van verklaring en van kennis te maken.' (Dilthey)

Deze insteek is voor het humanisme van bijzonder belang. Dit geldt vooral wanneer de mens wordt gezien als: 

  • interpreterend, verhalend en zinzoekend wezen (binnen humanisme als levensbeschouwing),
  • ethisch wezen (binnen humanisme als vormingsideaal),
  • een wezen dat het eigen persoonlijke leven tot kunstwerk maakt (binnen humanisme als levenskunst)
  • als sociaal betrokken wezen (binnen humanisme als sociaal en politiek streven).

Hermeneutiek

Behalve inhoudelijk zijn de geesteswetenschappen ook relevant vanwege een typerende benaderingswijze: de hermeneutiek

Hermeneutiek werd aanvankelijk opgevat als interpretatieleer. Met interpretatie wordt zowel het alledaagse begrijpen als het wetenschappelijk interpreteren bedoeld. Ook kan interpreteren gaan over de persoonlijke toe-eigening. Een toe-eigening die ervoor zorgt dat je je ontwikkelt en zodoende een ander en diens wereld beter kunt begrijpen. Interpreteren (of de wat verouderde term, Verstehen) staat tegenover de natuurwetenschappelijk methode. Deze wil vooral verklaren via causale verbanden, algemeen geldende wetten en statistische samenhangen (Erklären)

In de 19e eeuw behelsde hermeneutisch begrijpen vooral het achterhalen en duiden van de geestesgesteldheid van een ander. Mensen als Schleiermacher en Dilthey, proberen het innerlijke leven, de bedoelingen, gevoelens en gedachten van een ander te weten te komen. In de 20e eeuw verandert de insteek. Men wilde wilde nu gedrag en uitingsvormen van mensen (zoals verhalen) vooral begrijpen vanuit een cultuur en een traditie. Belangrijke auteurs zijn hier Gadamer en Ricoeur.

Sinds de vorige eeuw heeft hermeneutiek een ruimere betekenis gekregen; niet alleen als een manier van begrijpen, maar als een opvatting van het menselijk leven als geheel. Hierin verschijnt de mens als een interpreterend wezen. De humanistiek is de wetenschap van het menselijke bestaan tegen de achtergrond van humanistische tradities en gericht op humanisering en zingeving. De humanistiek is niet toevallig sterk hermeneutisch georiënteerd. Typerend voor de humanistiek is nu dat daarin oudere en nieuwere vormen van hermeneutiek even belangrijk zijn.

Iets begrijpen van het innerlijk leven van een ander is bijvoorbeeld belangrijk in humanistisch geestelijke begeleiding en bepaalde vormen van kwalitatief onderzoek. Het begrijpen van gedrag vanuit culturele contexten is bijvoorbeeld van belang in organisatieculturen, niveaus van beleid en maatschappelijke instituties.

_____________________________________________________________________________

Auteur van deze tekst - Prof. dr. Adri Smaling