Erich Fromm (1900 - 1980)

De ware ethische problematiek van deze tijd is de onverschilligheid van de mens jegens zichzelf.’

Erich Fromm was psycholoog, psychoanalyticus, filosoof en socioloog. Hij combineert een psychoanalytische invalshoek met een Marxistische visie. Fromm is een diagnosticus van mens en samenleving, en stelt de vraag: in wat voor samenleving kan de mens zich het best ontwikkelen? En wat zijn 'gezonde' karaktertypes? Belangrijke onderscheidingen zijn die tussen hebben en zijn, vrijheid en autoriteit, autonomie en kuddegeest, nemen en geven en geweld en liefde. Zijn thema's en schrijfstijl zorgen voor een brede publieke aandacht.

Achtergrond
Fromm wordt op 23 maart in een orthodox-joods gezin geboren in Frankfurt, waar hij sociale psychologie en sociologie studeert. Hij zet zijn studie voort in Heidelberg (wijsbegeerte), waar hij ook promoveert. Hierna volgt de opleiding tot psychoanalyticus in München en Berlijn. Vanwege het opkomende nationaalsocialisme emigreert hij in 1934 naar de VS, waar hij aan verscheidene universiteiten doceert, voordat hij hoogleraar wordt aan de Nationale Universiteit van Mexico (van 1946 tot 1965). 

In het begin van de jaren ’70 vestigt hij zich in Zwitserland. In 1980 overlijdt hij als gevolg van een hartaanval.

Erich Fromm is ongetwijfeld een van de belangrijkste figuren in de humanistische beweging in de periode van ’50 tot eind jaren ’70. Zijn publicaties zijn wereldwijd verspreid, in 40 talen verkrijgbaar en worden ook door niet-academici gelezen. Fromm publiceerde naast talloze artikelen ongeveer 22 boektitels.

Drie historische gebeurtenissen
Het werk van Fromm kreeg gestalte onder invloed van drie historische gebeurtenissen van een geweldige omvang: (1) de Eerste Wereldoorlog met haar enorme slachtingen; (2) de opkomst van het fascisme en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog; en (3) de Koude Oorlog met haar nucleaire dreiging. 

Met zijn analyses van destructiviteit en dehumanisering ontpopte Fromm zich als diagnosticus van zowel de mens, als de samenleving. Maatschappelijke tendensen en individuele ontwikkeling gaan in zijn teksten hand in hand. Hij combineerde op geheel eigen wijze zijn wijsgerige (ethiek), psychoanalytische en sociologische expertise.
Fromm's doel was de ontwikkeling van een ‘humanistische psychoanalyse’ en een psychologisch gefundeerde ethiek, die zowel het individu als de samenleving konden ondersteunen in een specifieke leefwijze. Deze leefwijze respecteert de mens en diens vrijheid en stimuleert zelfbewustzijn en verantwoordelijkheid. Het waren zijn positieve antwoorden op de hang van de mens naar overgave aan autoriteiten en autoritaire systemen en op de vervreemding die het kapitalistische systeem met zich meebracht.

Enkele kenmerken van zijn werk
Drie dingen vallen op aan het werk van Fromm. Zowel zijn ideeën over de menselijke aard, als zijn analyse van de samenleving, zijn gevat in overwegend psychoanalytische termen. Zelf noemt hij in Het hart van de mens de psychoanalyse een van de kernpunten van zijn intellectuele arbeid. Fromm neemt wel afstand van verscheidene uitgangspunten van Freud en legt eigen accenten.
In de tweede plaats spreekt Fromm over de problemen van de moderne maatschappij net als over individuen: in termen van ziekte en gezondheid. Zo heeft hij het over de psychopathologie van de democratie en het kapitalisme en gaat hij uitvoerig in op de relatie tussen maatschappelijke vervreemding en geestelijke gezondheid.
Ten derde betrekt Fromm levensbeschouwing en filosofie enerzijds en sociaal-wetenschappelijke inzichten anderzijds op elkaar, met name waar hij probeert (humanistische) antwoorden te geven op de ontstane problemen.

Psychoanalyse
Fromm nam de psychoanalyse als vertrekpunt nam voor zijn analyses van mens en samenleving, maar ontwikkelde zijn eigen versie . Hij nam bijvoorbeeld afstand van Freuds instinct-theorie. Freud beweerde dat de mens door zijn instincten voortgestuwd wordt richting een doel. Hij omschrijft dit als een dynamisch proces van krachten of energieën. Volgens Fromm vloeien onze fundamentele hartstochten niet voort uit instincten, maar uit de specifieke aard van het menselijk bestaan. De mens moet een nieuwe verhouding tot stand te brengen tot zijn medemens en de natuur omdat de primaire bindingen is verloren toen hij van dier 'mens' werd. Liefde is de voornaamste hartstocht. Liefde is een aspect van een breder vermogen: de scheppende instelling die wij kunnen verwerven. De behoefte aan verbondenheid is de behoefte ‘die zich achter alle verschijnselen verbergt’. 

En terwijl Freud de ontwikkeling van het menselijk karakter koppelde aan de sexuele energie (libido), gaat Fromm uit van karaktervorming op basis van ons verlangen naar menselijke verhoudingen. 

Een ander voorbeeld van Fromm’s eigen versie van de psychoanalyse betreft het geweten. Voor Freud bestond er slechts één vorm van geweten, door Fromm het autoritaire geweten genoemd: geweten zou niets anders zijn dan verinnerlijkt gezag. Fromm stelt daar tegenover dat de mens ook een humanistisch geweten heeft: ‘de uiting waarin ons eigenlijke ik tot spreken komt.’ Nog anders gezegd: ‘Wij bewaren in ons geweten de kennis van ons levensdoel en van de beginselen die ons daarheen moeten leiden.’ Deze en enkele andere verschillen in uitgangspunten maken dat Fromm spreekt van een humanistische psychoanalyse.

'… de mens weet wat geoorloofd is naarmate hij waarlijk als mens existeert.’

Maatschappij en individu
Terwijl de Westerse wereld waakt over het behoud van een democratische inrichting van de maatschappij, ontwikkelde Fromm een pathologie van democratie en kapitalisme. Kernpunt in zijn analyses is het verschijnsel van de vervreemding – een belevingswijze waarbij de persoon zichzelf als een vreemde ervaart. Consumptie, productie en onze vrijetijdsbesteding zorgen ervoor dat de moderne mens vervreemdt van zichzelf. Dat wil zeggen dat hij geen invloed ervaart op wat hij produceert, hoe hij produceert en hij slechts bij een deel van het productieproces is betrokken. Dat is de belangrijkste negatieve invloed van het kapitalisme op de persoonlijkheid.
We zien deze vervreemding ook in onze consumptie. Over dit laatste zegt hij dat ‘(...) de wijze waarop wij de dingen verwerven volstrekt los staat van het gebruik dat wij van hen maken.’ En: ‘Onze zucht naar consumptie heeft (…) elk verband met onze reële menselijke behoefte verloren.

Een en ander leidt tot karakterologische veranderingen zoals de neiging tot conformisme en overgave aan een anonieme autoriteiten. De vervreemding ligt aan de basis van geestelijke ongezondheid. De neiging bestaat om geestelijke gezondheid te definiëren in termen van zekerheid (veiligheid). Fromm formuleert een andere doelstelling: ‘De psychische taak, die een mens zich kan en moet stellen, luidt niet zich zeker te voelen, maar in staat te zijn de onzekerheden van het bestaan zonder paniek of overbodige angst te kunnen verdragen.’ Fromm’s antwoord is een maatschappij volgens een humanistisch communitarisme: het delen in de winst, maar meer nog het delen van een gemeenschappelijke ervaring en van arbeid.

Het kwaad
In het hart van Fromm’s analyse van mens en samenleving ligt de vraag naar het kwaad: is de mens 'wolf of schaap’? Volgens Fromm een specifiek menselijk probleem. Indringend is zijn analyse van onze neiging tot het kwaad en dan vooral onze destructieve kanten. Als belangrijkste oorzaken ziet Fromm de 'liefde tot de dood' (necrofilie), sociaal narcisme en symbiotisch-incestueuze fixatie. Deze drie verschijnselen vormen samen het ‘vervalsyndroom’. Dit syndroom is volgens Fromm de ernstigste ziekte en de wortel van de meest kwalijke destructiviteit en onmenselijkheid die we kennen. 

De ‘liefde tot de dood’ staat in verband met de moderne technologische samenleving. In zo’n samenleving wordt het leven met de dag mechanischer. Onze medemens wordt voor ons  een abstractie, een ding te midden van gigantische productiecentra, gigantische steden en staten. Het sociaal narcisme heeft invloed op nationaal, religieus en politiek fanatisme, omdat het leidt tot de verheerlijking van de eigen groep. En de symbiotisch-incestueuze fixatie leidt tot ernstige vormen van regressie. Daardoor is het onmogelijk zelfstandig te functioneren met als gevolg dat er geen plaats is voor rede, objectiviteit en integriteit. Tegenover dit ‘vervalsyndroom’ plaatst Fromm het zogeheten ‘groeisyndroom’: liefde voor het leven, naastenliefde, onafhankelijkheid en zelfstandigheid.

Humanisme
Geestelijke gezondheid wordt gekenmerkt door het vermogen tot liefde en creativiteit, door de bevrijding uit incestueuze bindingen aan groep en bodem, door vereenzelviging met de eigen persoon, gebaseerd op de herkenning van het eigen zelf als de ware oorsprong van de eigen machten en mogelijkheden, en ten slotte door het begrijpen van de werkelijkheid binnen en buiten ons, namelijk door ontplooiing van objectiviteitszin en redelijk denken.

Fromm was een ongerust mens. Zijn zorg om het voorbestaan van de mensheid was tijdens de koude oorlog zeker geen overbezorgdheid. Dat laat onverlet, dat hij positieve antwoorden op de problemen van mens en samenleving probeerde te formuleren, antwoorden die getuigen van een echte humanistische instelling. Hieronder enkele belangrijke punten.

Geestelijke gezondheid, aldus Fromm, wordt bereikt als de mens zich ontwikkelt tot volle rijpheid, overeenkomstig de wetten van de menselijke natuur. Dat is een van de stellingen van een normatief humanisme. Het wezen van de mens berust niet alleen op anatomie en fysiologie, maar ook op fundamentele psychische eigenschappen, op de wetten die het geestelijke en emotionele leven en functioneren beheersen. Dit standpunt zien we onder meer terug in zijn ontwerp van een psychologisch gefundeerde ethiek. Fromm wijkt hierin af van Freud. Volgens Freud kan de psychologie verduidelijken wat onze beweegredenen voor bepaalde waarderingen zijn, maar ze heeft niets te melden over de geldigheid van die waarderingen. Fromm beweert daarentegen dat de psychologie wel degelijk iets kan vertellen over de keuze om het autoritaire geweten of het goede geweten te volgen. Psychologie is dus relevant voor ethiek.

Zoals al genoemd, kunnen we ons ontwikkelen door verbinding te zoeken. Creativiteit is een tweede vermogen dat ons tot groei aanzet. De mens is in staat te geloven in liefde en kan zijn rede ontwikkelen. We kunnen creatief zijn en verbondenheid ervaren.

'In de daad van het scheppen treedt de mens buiten zichzelf als schepsel en verheft hij zich boven de passiviteit en het toevallige van zijn bestaan tot in het gebied van vrijheid en zin'.

Destructiviteit is slechts een alternatief voor het creatieve.

(..) dat de mens in staat is om zijn primaire vermogen tot liefde en rede te ontwikkelen, impliceert nog allerminst een naïef geloof in de menselijke goedheid zonder meer. Het destructieve vormt (...) een secundaire mogelijkheid (...). Schepping en verwoesting, liefde en haat, (...) beiden zijn zij antwoorden op dezelfde behoefte aan zelf-transcendentie, en de vernietigingsdrang moet noodzakelijk opkomen in de mens zodra de scheppingsdrang geblokkeerd is.

Om verbinding en creativiteit mogelijk te maken, is het nodig onze wereld te baseren op solidariteit en rechtvaardigheid. Fromm streeft een geworteld zijn in een universele broederschap na.

Tegenover conformisme en kuddegeest stelt Fromm de noodzaak van het ontwikkelen van individualiteit, de ontwikkeling van een eigen identiteit. De mens moet zich verzekeren van het ‘eigen ik’.

En tot slot is het noodzakelijk voor een gezonde ontwikkeling, dat het individu zich rekenschap geeft van de noodzakelijkheid van een eigen intellectuele wereldoriëntatie.

Auteur van deze tekst - Drs. Jan Hein Mooren

Verder lezen, van Fromm:

De angst voor vrijheid (1952) (vert. van Escape from freedom(1941)).

De zelfstandige mens (1955) (vert. van Man for himself (1947)).

De gezonde samenleving (1958) (vert. van The sane society (1955)).

Liefhebben, een kunst, een kunde (1962) (vert. van The art of loving (1956)).

Het hart van de mens (1964) (vert. van The heart of man (1964)).

Greatness and limitations of Freud’s Thought (1980)