Seneca, Brieven aan Lucilius (ca. 62-64 na Chr.)

'Als je een mens ziet die onverschrokken blijft in gevaren, die niet beroerd wordt door begeerten, die te midden van tegenspoed gelukkig is, midden in stormen rustig, die vanaf een hoger niveau de mensen en op gelijk niveau de goden beziet, zal jou dan niet een gevoel van verering voor hem besluipen?' (Brief 41)

In zijn Brieven aan Lucilius, die de geest van humanitas ademen, coacht Seneca (ca. 4 v. Chr. - 65 n. Chr.) de jongeman Lucilius in de beginselen van de Stoa. De Stoïcijn mag zich niet laat leiden door emoties en zich van de wijs laten brengen door gebeurtenissen waarop hij geen invloed heeft. Het goddelijke is volgens hem eigen aan de mens en bestaat uit leven volgens de logos, de rede, en in overeenstemming met de natuur.

 

Nero's opvoeder

Lucius Annaeus Seneca was een man die probeerde te leven volgens principes, maar door omstandigheden én door eigen toedoen die principes verloochende. Hij genoot een traditionele opleiding als redenaar en filosoof. Hij maakte carrière als advocaat en politicus en werd belast met de opleiding van Nero, die in 54 na Chr. keizer werd. 

De eerste vijf jaar van Nero's bewind verliepen vrij goed. Seneca schreef een verhandeling, De clementia, Over mildheid, waarin Nero als een verstandig vorst wordt voorgesteld. Het ging echter van kwaad tot erger met Nero, met als dieptepunt de moord op zijn eigen moeder Agrippina in 59. Seneca was hierdoor zodanig gecompromitteerd dat hij in het jaar 62 besloot zich terug te trekken uit de politiek. De laatste jaren van zijn leven wijdde hij zich volledig aan de filosofie.

Nero, die waarschijnlijk wrok koesterde tegen Seneca, verdacht hem van betrokkenheid bij een complot en beval zijn dood. Seneca stierf door eigen hand, iets wat in de Oudheid als gewoon en passend voor een filosoof werd beschouwd omdat Socrates in zekere zin ook op die wijze gestorven was.

Stoa

De literaire productie van Seneca is indrukwekkend in diversiteit en omvang. Hij schreef toneelstukken, natuurhistorische werken, filosofische traktaten en brieven aan zijn vriend Lucilius. In al deze werken betoont Seneca zich een aanhanger van de Stoa. Dit was samen met het Epicurisme de populairste filosofische, wij zouden zeggen levensbeschouwelijke, stroming in Rome. 

De Stoa, die ontstond tijdens het Hellenisme, kenmerkt zich door een naturalistische, materialistische inslag en een praktische ethiek. De Stoïcijn moet leven in overeenstemming met de natuur, die gestuurd wordt volgens het principe van de logos, de rede. Hij mag zich niet laat leiden door emoties, maar moet zich daaraan zoveel mogelijk onttrekken. Hij moet bedenken dat er dingen gebeuren waarop hij geen invloed heeft en zich daarom niet van de wijs laten brengen. Hij moet leven in een toestand van apatheia, een soort ongenaakbaarheid voor emoties.

Seneca kende deze stelregels van de Stoa natuurlijk, maar uit zijn werken blijkt tegelijkertijd een scherp psychologisch inzicht in de rol die emoties spelen in het leven. In zijn tragedies, die heel realistisch-bloederig zijn, schetst hij harde portretten van mensen die hun emoties niet de baas kunnen. Dat hij daar zelf ook mee worstelde, blijkt uit een vilein werk dat hij schreef tegen keizer Claudius, toen deze al vermoord was, Apocolocyntosis Divini Claudii, De vergoddelijkte Claudius wordt een pompoen. En dan te bedenken dat Seneca nog kort daarvóór een lofrede op dezelfde keizer had geschreven!

De dood van Seneca, door Luca Giordano, 1684

Coach in humanitas

Het werk waarin Seneca op zijn best is en waarmee hij terecht beroemd is geworden, zijn de
Epistulae morales ad Lucilium, Brieven aan Lucilius. Deze al dan niet echt gestuurde brieven aan zijn jonge vriend Lucilius bevatten allerlei adviezen over gewone, alledaagse dingen, zoals behoefte aan vrienden, eenzaamheid, over het blozen en het oordeel van de massa. Ze zijn geschreven in een redelijk directe, eenvoudige stijl, al probeert Seneca af en toe wat al te spitsvondig te zijn. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat Seneca in deze brieven optreedt als coach, die gevraagd en ongevraagd zijn pupil Lucilius adviezen geeft. De geest die deze brieven ademt is er een van welwillendheid en vriendelijkheid tegenover elkaar, van verfijndheid en eruditie; in één woord, van humanitas.

Slavernij en gelijkheid

Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren. In brief 47 prijst Seneca Lucilius voor de manier waarop hij met zijn slaven omgaat. Dat siert hem en toont zijn wijsgerige ontwikkeling, meent Seneca. Veel mensen behandelen hun slaven onmenselijk. Ze mogen niet eens bewegen, hoesten, laat staan praten. Het is ook decadent dat mensen slaven hebben voor dingen die ze best zelf zouden kunnen doen. Verder kan iedereen, ook een vrij man, slaaf worden. Men moet met een lager geplaatste omgaan zoals men zelf door een hoger geplaatste bejegend zou willen worden. Verder is slavernij een relatief begrip. Ook iemand die formeel geen slaaf is, kan slaaf zijn van zijn ambitie, zijn wellust of zijn angst. Lucilius doet er goed aan te voorkomen dat zijn slaven bang voor hem zijn, want alleen dan zullen zij hem waarderen.

Uit deze brief spreekt een opvatting van gelijkheid die in de Oudheid ongekend was. Slavernij was een niet weg te denken instituut. Seneca, zelf een voormalige bevrijde slaaf, wil de slavernij ook niet afschaffen, maar de lezer doordringen van het feit dat er geen principieel verschil is tussen een slaaf en een vrije. Hij toont in deze brief een sterk gevoel van empathie en inlevingsvermogen. Dat was in de Oudheid allesbehalve vanzelfsprekend, maar maakte wél deel uit van humanitas.

De goddelijke mens

In brief 41 spreekt Seneca over het goddelijke in de mens, maar hij doet dat door middel van een beeldspraak die ontleend is aan de natuur. Lucilius hoeft de goden niet aan te roepen, maar moet een beroep doen op een goddelijk beginsel in zichzelf, dat voortvloeit uit de natuur. Wanneer hij een wonderbaarlijk schouwspel in de natuur ziet of een mens die zich niet laat leiden door angst en die onverschrokken is, dan moet Lucilius daarin de manifestatie van het goddelijke zien. Hij moet zich realiseren dat het bijzondere in een mens afkomstig is van het goddelijke. Maar dat goddelijke bepaalt ook het meest eigene aan de mens, namelijk te leven volgens de rede en in overeenstemming met de natuur. Seneca's godsbegrip in deze brief is materialistisch en heeft geen menselijke gedaante. Het goddelijke is namelijk synoniem met de natuur en niet met de mens en met menselijke eigenschappen.

____________________________________________________________________________

Auteur van dit werk - Drs. Gerhard Binkhorst

Verder lezen

Van Seneca

Over Seneca