Jürgen Habermas, De structurele verandering van de openbare sfeer (1962)

'De burgerlijke publieke sfeer moet bovenal worden opgevat als de sfeer waarin privé personen samenkomen als publiek (...). Het medium van deze politieke confrontatie was opmerkelijk en zonder historisch precedent: dat mensen hun rede publiek gebruikten.' (p. 27)

Er gaat nauwelijks een dag voorbij of een organisatie of politicus beweert dat er een publiek debat moet worden gevoerd. Maar wat is eigenlijk een publiek debat? Wanneer is dit idee ontstaan en waarom? De Duitse filosoof Jürgen Habermas (1929) schreef er zijn boek De structurele verandering van de openbare sfeer (1962) over. Het is een historische studie, maar ook een waarschuwing. Het publieke debat - zo belangrijk voor onze democratie - is niet meer wat het was.


Lezing van de tragedie De wees van China van Voltaire in de Salon van Madam Geoffrin, schilderij door Anicet Lemonnier (1812), musée national des châteaux de Malmaison et de Bois-Préau

De opkomst van een publieke sfeer
Strukturwandel der Öffentlichkeit. Untersuchungen zu einer Kategorie der bürgerlichen Gesellschaft', De structurele verandering van de openbare sfeer, vertelt het verhaal van de opkomst en ondergang van de burgerlijke publieke sfeer in Duitsland, Groot-Brittanië en Frankrijk. Deze publieke sfeer ontstond in de 18e eeuw maar brokkelde ook weer af met de komst van de massamedia en de welvaartstaat. Het publieke domein dat in de ideaaltypische schets van Habermas naar voren komt, was gelokaliseerd in koffiehuizen en salons. Habermas noemt het een vorm van theater waarin burgers politiek bedrijven door middel van de dialoog. Het was een apart domein, te onderscheiden van zowel de economie als de staat.

Het vroeg-kapitalisme
Zo'n apart domein van politieke gesprekken kon zich ontwikkelen dankzij een nieuw zelfbeeld van mensen. Het vroege kapitalisme dat zich voordeed na het feodale tijdperk en de ontwikkeling van de natiestaat, zorgden ervoor dat mensen zichzelf als burgers gingen ervaren: volwaardige en zelfstandige personen, die niet langer onder het juk van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten zaten. Onderling waren die vrije burgers gelijk, net als mensen op de zich ontwikkelende, kapitalistische markt. Maar terwijl de handelaar zijn eigen belangen nastreeft op de markt, stapt de burger in het publieke domein in de rol van mens die met anderen het gezamenlijke belang zoekt.

Het kerngezin
Naast de opkomst van het vroege kapitalisme doen zich nog drie belangrijke historische trends voor. Zo ontwikkelde zich het gezinsleven. In het feodale tijdperk bestond er nauwelijks zoiets als een intieme ruimte waarin het gezin een eigen eenheid vormde, gebaseerd op liefde en vertrouwen. Mensen waren eerder onderdeel van een grotere gemeenschap, dan van een intiem gezin. In de 18e eeuw komt de vorm van het kerngezin tot stand.

Interesse in de eigen persoon
Tegelijkertijd kregen mensen interesse in de ontwikkeling van zichzelf als persoon, door middel van cultuur en literatuur. Mensen reflecteerden op zichzelf, experimenteerden met zelfbeelden en deden dit in vertrouwelijke gesprekken met anderen en met zichzelf, zoals in het dan populaire dagboek. Literatuur en filosofie dienen als inspiratiebron voor deze zelfreflectie, en de eigen biografie wordt gespreksonderwerp in de salons en koffiehuizen.

Habermas beweert dat de literaire salon waarin mensen boeken bespreken in relatie tot hun eigen leven, samensmelt met de politieke salon waarin mensen zich afvragen hoe de samenleving moet worden ingericht. De relatie tussen beiden is dat mensen zich gaan interesseren in de mens als zodanig. Dat wil zeggen, de mens als individu die niet volledig samenvalt met zijn achtergrond, cultuur, religie of professionele functie, maar een universele mens is, gelijk aan anderen en vrij om zichzelf te onderzoeken en bepalen.

Met deze drie ontwikkelingen krijgt de term publiek een heel andere functie dan voorheen. In de feodale samenleving stond de machthebber voor het publiek. Nu wordt publiek een algemeen domein van burgers die naast elkaar staan en in gesprek zijn. Mensen gaan zichzelf zien als volwaardige burgers die ook zélf kunnen denken en spreken.

Het publieke debat: hardop en met elkaar denken
Dit idee was al bij Immanuel Kant ontwikkeld. In Zum ewigen Frieden, Naar de eeuwige vrede (1795), wijst hij op de publieke sfeer die zou bestaan uit een combinatie van voor jezelf denken en hardop denken, dat wil zeggen: met anderen denken. Hóe je dat precies moet doen is niet vanzelfsprekend en aangeboren maar moet geleerd worden. Het Kantiaanse postulaat van openbaarheid betekent dat Verlichting mogelijk wordt doordat burgers leren om samen rationeel en beargumenteerd te denken, in een publiek gesprek. Kant en Habermas denken dus allebei dat rationaliteit geleerd kan worden door middel van hardop denken, ofwel, spreken en luisteren in het publieke debat.

Hoe de publieke sfeer ten onder ging
Het gesprek tussen burgers over politieke zaken, zaken dus die ons allemaal aangaan, wordt volgens Habermas echter langzaam ondermijnd. Het gesprek tussen privé-burgers op basis van morele visies, wordt vervangen door een gesprek tussen bureaucratische instituties die specifieke belangen nastreven.

Daar komt bij dat de cultuur als voedingsbodem voor persoonlijke ontwikkeling, steeds sterker commerciële trekken gaat vertonen. Terwijl cultuur en literatuur als doel hebben om burgers tot ontwikkeling te brengen en hun karakter te vormen, leidt de massacultuur tot manipulatie en beïnvloeding. Burgers overtuigen elkaar niet via argumenten, maar worden door de media en belangenorganisaties gestuurd stem-vee.

Bovendien verandert de verhouding tussen burger en staat. De staat gaat zich meer en meer opstellen als verzorgend instituut waar burgers gebruik van kunnen maken. Kortom, de verzorgingsstaat ontwikkelt zich. Hiermee verandert ook het zelfbeeld van burgers. Ze zien zichzelf niet langer als autonome burgers in onderlinge dialoog, maar als consumenten van de staat met haar sociale voorzieningen, consumenten van de markt, ontvangers van nieuws en stemmers op politieke partijen.

De niet-publieke opinie en het non-debat
Habermas geeft aan dat mensen geabsorbeerd worden in de sociale samenleving, wat voor hem een negatieve lading heeft. Burgers vormen niet langer als privé-personen met een eigen leven de politieke gemeenschap, maar worden sociale wezens in groepsvorm en consumenten van de samenleving. Ze ontvangen de samenleving alleen nog maar, in plaats van deze zelf te produceren.

Vrij vertaald naar vandaag: burgers zijn zichzelf gaan zien als mensen die na het werk, in hun vrije tijd, het publieke debat consumeren, commentaar leveren op de politiek die zich ergens in Den Haag bevindt, en vervolgens op televisie geprepareerde cultuur in ontvangst nemen.

De rol van de pers is een belangrijke. Habermas beweert dat journalistiek eigenlijk bedoeld was als een platform voor burgers. Idealiter doen media verslag van het debat dat al tussen mensen plaatsvindt. Maar journalistiek verandert langzaam in een productiecentrum dat kant en klaar entertainment voorschotelt, daarbij sterk beïnvloed door het opinie-management van daarvoor speciaal getrainde communicatie- en PR-afdelingen van belangenorganisaties. De publieke opinie is dan ook niet meer een activiteit, maar het resultaat van sociologisch onderzoek naar maatschappelijke groepen met min of meer vaste - dat wil zeggen, onbeargumenteerde - meningen en levensstijlen.

Habermas noemt dit de niet-publieke opinie. Hij beweert dat deze niet-publieke opinie een psychologisch effect heeft: het maakt passief. Ons natuurlijke instinct om te handelen wordt teniet gedaan. Het verlies van een goed functionerende publieke sfeer zorgt er voor dat ons hele idee van een democratie en gekozen politieke macht op losse schroeven komt te staan. Politieke macht wordt een niet goed te legitimeren macht, omdat het wordt gebaseerd op een politiek proces van non-debat, een spektakel vol van geprepareerde entertainment-opinies. Mensen volgen deze opinies zoals ze de mode volgen: niet betrokken, maar wel sterk beïnvloedbaar. Habermas verwijst naar de Amerikaanse socioloog David Riesman die in The Lonely Crowd (1950) deze mensen een naam geeft: de nieuwe onverschilligen.

Het resultaat is een nieuw feodalisme waarin publiek opnieuw zijn klassieke betekenis krijgt: de machthebber die zich als persoon vóór het publiek beweegt en macht naar zich toe trekt. Burgers keren zich af van het gesprek met elkaar en worden opnieuw toeschouwers, met als voornaamste object van de blik de grote leider.

Hoe nu verder?
Wordt het ooit nog wat, met dat publieke debat? Een echte oplossing biedt Habermas niet. Maar er zijn wel twee lichtpuntjes.

Ten eerste is Habermas historische studie wel erg idealistisch. Bestond er eigenlijk wel ooit een goed functionerende publieke sfeer? Het valt te betwijfelen, en wordt ook betwijfeld, al was het maar omdat grote delen van de bevolking nooit in koffiehuizen en salons kwamen.

Ten tweede lijken de zo bekritiseerde massamedia nieuwe kansen te bieden. De passief-stemmende media hebben er een actieve internetgemeenschap bij gekregen. Individuele burgers vinden elkaar en vormen zélf een platform met ruimte voor kritiek, argumenten en niet vooraf gemanagede burgeruitwisseling. Desalniettemin zijn en blijven de problemen die Habermas schetst uitermate herkenbaar en reëel. Zijn boek geldt vooral als voortdurende waarschuwing. Gelegitimeerde politieke macht is afhankelijk van een gezond publiek debat, gevoerd door burgers zélf, op basis van argumenten en inzicht.

Auteur van dit werk - Drs. Esther Wit 

Verder lezen