Sigmund Freud, De toekomst van een illusie (1927)

'Stellig zal de mens (wanneer men hem de religieuze illusie afpakt - red.) in een lastige situatie verkeren, hij zal zichzelf heel zijn hulpeloosheid, zijn onbeduidendheid in het wereldse raderwerk moeten bekennen, hij zal niet langer het middelpunt van de schepping, niet langer het voorwerp van liefderijke zorg van een goedgunstige voorzienigheid zijn. Hij zal zich in dezelfde positie bevinden als het kind dat het ouderlijk huis verlaten heeft, waarin het zich zo warm en behaaglijk voelde. Maar het infantilisme is toch gedoemd te worden overwonnen, nietwaar? De mens kan niet eeuwig kind blijven.' (Conclusie)

De Weense psychoanalyticus Sigmund Freud (1856 - 1939) is gebrand op het ontmaskeren van illusies, waaronder religie. Godsdienst is een wensvervullingsfantasie die de menselijke hulpeloosheid dragelijk moet maken en tegemoet moet komen aan het verlangen naar een beschermende vader. Uiteindelijk toont Freud zich gematigd optimistisch; de mensheid kan deze kinderlijke neurose overwinnen door wetenschap en intellect. Die moeten hem opvoeden tot realisme, door de menselijke eindigheid en hulpeloosheid te leren accepteren.


Freuds werkkamer. Hoewel overtuigd atheïst, bezat Freud een uitgebreide verzameling godenbeeldjes die hij zelf zelf zijn 'schäbige Götter', sjofele goden, noemde. Hij was bij het aanleggen van deze collectie geïnspireerd door de afbeeldingen in de Philippson Bijbel waaruit hij als kind werd voorgelezen. Een overzicht van Freuds antiquiteiten is hier te vinden.

Aan het lot valt niets te doen

Freud is diep overtuigd van de nietigheid en onmacht van de mens in de grote wereld. Religie zoekt een remedie tegen dit gevoel. Freud is echter gekant tegen iedere vorm van religie, omdat er niets te doen valt tegen de slagen van het lot. Men heeft slechts zijn hoofd te buigen. Hij heeft dit ook vaak uitgesproken, bijvoorbeeld in reactie op de plotselinge dood van zijn geliefde dochter Sophie, een gelukkige jeugdige moeder van twee jongens en zwanger van een derde kind. Op 4 februari 1920 schrijft hij aan zijn favoriete leerling, de Hongaarse psychoanalyticus Sándor Ferenczi

'Omdat ik in mijn diepste wezen ongelovig ben, heb ik niemand te beschuldigen en ik weet, dat er geen plek bestaat waar men een klacht kan deponeren.'

Hulpeloosheid

'Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld, diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt. Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus.' (p. 385) 

Daar tegenover stelt Freud de gelovige, die wél denkt er iets tegen te kunnen doen: die bidt, vraagt en marchandeert. Daarmee ligt voor Freud godsdienst in de sfeer van magie; zij probeert alsnog de dingen naar de eigen hand te zetten. Hierin schuilt de illusie. Een illusie is niet per definitie een dwaling of een waan, maar zij stoelt niet op een bewijs, slechts op de wéns dat iets waar is. Alsof daarmee een remedie zou zijn gevonden tegen de menselijke hulpeloosheid, die voor Freud de diepste wortel vormt van het verschijnsel godsdienst.

Religie is een wensvervullende gedachte die tegemoet komt aan het verlangen naar een beschermende vader die over je waakt en voor je zorgt. Zo moet het de menselijke hulpeloosheid dragelijk maken. Dat is een kinderlijk verlangen, dat een volwassen mens moet afleggen. De Schikgodinnen - de godinnen die het menselijk en goddelijk levenslot bepalen - staan bij de Grieken boven de goden en dat beschouwt Freud als een teken van diepe wijsheid: zij knippen de levensdraad door met onverschillige wetmatigheid. Fatum en Anankè, het lot, regeren ons, stelt Freud in navolging van Multatuli. Inderdaad, het beeld van God als de vader van een vierjarig kind kan geen stand houden. Het leven is geen speeltuin en zelfs daar kan een kind zich pijnlijk stoten aan een schommel.

Opvoeding tot realisme

Freud is gebrand op het ontmaskeren van illusies, waaronder religie. Hij wenst dat de mensheid deze collectieve kinderlijke neurose overwint. De mens moet het hebben van de wetenschap en met wat zij kan geven moeten wij genoegen nemen. De psychoanalyse is erop gericht mensen op te voeden tot realisme, tot het accepteren van de menselijke eindigheid, beperktheid en hulpeloosheid. De dingen zijn zoals ze zijn.
_____________________________________________________________________________

Over de auteur van dit werk - Prof. dr. Harry Stroeken

Verder lezen

Van Freud

  • De Nederlandse vertaling De toekomst van een illusie is te vinden in deel 9 van de 11-delige reeks Werken van Freud, Boom (2006). Deze is ook opgenomen in de bundel Beschouwingen over cultuur.
  • Andere werken van Freud over religie zijn Totem und Tabu, Totem en taboe (1913) en Das Unbehagen in der Kultur, Het onbehagen in de cultuur (1930). Deze teksten zijn opgenomen in de laatste hiervoor genoemde bundel. Der Mann Moses und die monotheistische Religion, Mozes en de monotheïstisch religie (1939) is opgenomen in deel 10 van de Werken.

Over Freud