atheïsme

David Hume (1711-1776)

'Volgens het moderne Europese bijgeloof is het goddeloos het eigen leven te beëindigen en al doende in opstand te komen tegen onze schepper. En waarom (...) is het dan niet goddeloos om huizen te bouwen, de grond te bewerken, en de oceaan te bevaren?' (Over Zelfdoding)

Baron d'Holbach (1723 - 1789)

'Kortom, bewijst niet alles dat moraal en deugd totaal niet samengaan zijn met de noties van een god?'

Jan Hoving,

'Ons neen zeggen tegen God is zoals Nietzsche het uitdrukt een ja zeggen tot het omhoogworstelende leven' (Hoving in De Vrijdenker, april 1923)

John Dewey, (1934)

'Twijfels zijn een teken van vertrouwen in de methode van het intellect. Het zijn tekenen van vertrouwen, niet van een bleek en machteloos scepticisme.'

Voltaire (1694 - 1778)

'Onze priesters zijn niet wat het dwaze volk denkt. Op onze goedgelovigheid berust hun hele wetenschap.' (Oedipe (1718))

John Locke, (1689)

'Het is het niet de veelheid van opvattingen, die onvermijdelijk is, maar de weigering van de tolerantie die men had kunnen opbrengen tegenover die mensen met een verschillende mening, die het merendeel van de religieuze conflicten en oorlogen in de christelijke wereld heeft voortgebracht.'

Piet Spigt, (1981)

'We staan er voor het karwei van het leven zèlf op te knappen' .

Ludwig Feuerbach, (1841)

'Niet een god schept de mensen, maar de mensen scheppen zich een god naar hun beeld.'

Spinoza, (1677)

'Gelukzaligheid is niet het loon van de deugd, maar de deugd zelf... (Al) het voortreffelijke is even moeilijk als zeldzaam.' (Boek V, stelling 42).

Sigmund Freud, (1927)

'Stellig zal de mens (wanneer men hem de religieuze illusie afpakt - red.) in een lastige situatie verkeren, hij zal zichzelf heel zijn hulpeloosheid, zijn onbeduidendheid in het wereldse raderwerk moeten bekennen, hij zal niet langer het middelpunt van de schepping, niet langer het voorwerp van liefderijke zorg van een goedgunstige voorzienigheid zijn. Hij zal zich in dezelfde positie bevinden als het kind dat het ouderlijk huis verlaten heeft, waarin het zich zo warm en behaaglijk voelde. Maar het infantilisme is toch gedoemd te worden overwonnen, nietwaar? De mens kan niet eeuwig kind blijven.' (Conclusie)