dood/eindigheid

Lucretius, (eerste eeuw v. Chr.)

'Als jij dit weet en goed onthoudt, blijkt de natuur terstond bevrijd, verlost van trots verheven heersers, en zelfstandig alles zonder godenhulp te doen'. (p. 177)

Epicurus,

'Het gelukkige leven wordt niet tot stand gebracht door drinkgelagen (...), noch door het genieten van jongens en vrouwen (...), maar door nuchter denken (...).'

Ludwig Feuerbach, (1841)

'Niet een god schept de mensen, maar de mensen scheppen zich een god naar hun beeld.'

Camus, (1942)

'Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt.'

Sigmund Freud, (1927)

'Stellig zal de mens (wanneer men hem de religieuze illusie afpakt - red.) in een lastige situatie verkeren, hij zal zichzelf heel zijn hulpeloosheid, zijn onbeduidendheid in het wereldse raderwerk moeten bekennen, hij zal niet langer het middelpunt van de schepping, niet langer het voorwerp van liefderijke zorg van een goedgunstige voorzienigheid zijn. Hij zal zich in dezelfde positie bevinden als het kind dat het ouderlijk huis verlaten heeft, waarin het zich zo warm en behaaglijk voelde. Maar het infantilisme is toch gedoemd te worden overwonnen, nietwaar? De mens kan niet eeuwig kind blijven.' (Conclusie)