zin- en betekenisgeving

Wilhelm Dilthey (1833 - 1911)

'De natuur verklaren we, het geestelijke leven begrijpen we.'

Max Weber (1864 - 1920)

'Het is het lot van onze tijd, met de haar eigen rationalisering en intellectualisering, vooral: de onttovering van de wereld, dat juist de laatste en meest sublieme waarden zijn teruggetreden uit de openbaarheid (...)' 

Jaap van Praag, (1947)

'(...) humanisme betekent tegelijk die milde kunst, die zich met veel menselijk falen verzoend heeft en daaruit kracht put - glimlach zonder pessimisme en zelfzucht zonder zwaarwichtigheid.' (pg. 92)

Piet Spigt, (1981)

'We staan er voor het karwei van het leven zèlf op te knappen' .

Jaap van Praag, (1978)

'Tegenover de onwrikbaarheid van de wereld staat het onblusbare verlangen naar een vernieuwde mens in een veranderende samenleving; een reformatie en een renaissance tegelijk.' (conclusie)

Camus, (1942)

'Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt.'

Hans-Georg Gadamer, (1960)

'Het fenomeen van het begrijpen (Verstehen) doortrekt niet alleen alle menselijke betrekkingen tot de wereld. Het heeft ook binnen de wetenschap een eigen zelfstandige geldigheid en verzet zich tegen de poging haar te herinterpreteren als een wetenschappelijke methode.' (xxvii)

Harry Kunneman (1948)

Als iemand het moderne humanisme heeft opengebroken naar een nieuwe ruimte waarin postmoderne vragen en problemen aan de orde kunnen worden gesteld, is het wel Harry Kunneman. Als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek is Kunneman actief op  zowel filosofisch, als op praktisch-professioneel niveau.

Sigmund Freud, (1927)

'Stellig zal de mens (wanneer men hem de religieuze illusie afpakt - red.) in een lastige situatie verkeren, hij zal zichzelf heel zijn hulpeloosheid, zijn onbeduidendheid in het wereldse raderwerk moeten bekennen, hij zal niet langer het middelpunt van de schepping, niet langer het voorwerp van liefderijke zorg van een goedgunstige voorzienigheid zijn. Hij zal zich in dezelfde positie bevinden als het kind dat het ouderlijk huis verlaten heeft, waarin het zich zo warm en behaaglijk voelde. Maar het infantilisme is toch gedoemd te worden overwonnen, nietwaar? De mens kan niet eeuwig kind blijven.' (Conclusie)