Multatuli, Gebed van den onwetende (1861)

 
'Ik ken U niet, o God! Ik riep U aan, ik zocht,
Ik smeekte om antwoord, en Gy zweegt! Ik wôu zo graag Uw wil doen... niet uit vrees voor straf, uit hoop op loon, 
Maar zo als 't kind den wil zyns vaders doet... uit liefde!

Gij zweegt... en altyd zweegt Ge!

De vader zwygt... O God, er is geen God!'

Multatuli (Eduard Douwes Dekker) was een Nederlands ambtenaar. Vanaf de verschijning van het bekende Max Havelaar of de Koffijveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1860) was hij auteur. Zijn werk getuigt van een afkeer van de Nederlandse samenleving. Hij levert ferme kritiek op de koloniale politiek en op religieuze misstanden.  

 

Gebed van den Onwetende

Het Gebed van den Onwetende schreef Multatuli op 26 februari 1861, het jaar nadat hij zijn roman Max Havelaar had gepubliceerd. Het verscheen voor het eerst in De Dageraad van maart 1861 met als ondertitel: Uit het dagboek van een krankzinnige, meêgedeeld door Multatuli. Met eene plaat door Ernst Stern [=Hofstede]. 

Plaat en ondertitel (zie boven) vormen een onderdeel van Multatuli's strategie om de lezer stapsgewijs met zijn ongeloof kennis te laten maken. Op de afbeelding zijn twee mannenkoppen te zien. De eerste is een bebaarde, langharige grijsaard, die verzucht: Antwoord, Vader, als Ge dáár zijt, antwoord. De tweede is een welvarende man in de kracht van zijn leven: En prevelt: dank, o Heer, dat ik niet ben als hij!

Gebed van een onwetende is vrij letterlijk een gebed tot God, niet een ontkenning van God. De ik-figuur is geen atheïst, zelfs geen agnost, maar een onwetende. Hij wil met God communiceren zoals een zoon met een vader, maar God openbaart zich niet. Multatuli identificeert de onwetende met Jezus - zoals hij in zijn oeuvre wel vaker deed - gekruisigd en dorstig als die is. Pas aan het sarcastische slot komt de aap uit de mouw. Er verschijnt opeens een 'wijze', die blij is dat hij niet door twijfel wordt gekweld. De psalm die hij zingt, is de allereerste (uit Psalmen, Oude Testament), waarvan het begin als volgt luidt (in de berijming van 1773):

'Welzalig hij, die in der bozen raad
Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat
Noch nederzit, daar zulken samenrotten
Die roekeloos met God en godsdienst spotten
Maar 's HEEREN wet blijmoedig dag en nacht
Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht
.'

Dan gaat deze 'wijze' naar de beurs, net als Droogstoppel (de saaie, gierige, fantasieloze en onsympathieke zakenman uit Max Havelaar). Een laatste slag om de arm zit in de ondertitel, waarin wordt vermeldt dat het gebed uit het dagboek van 'een krankzinnige' afkomstig is.

Zelf zei Multatuli hierover in 1875 in een noot bij een herdruk, toen hij al die slagen om zijn arm niet meer nodig had:

'Men zoeke vooral in dit stukje geen dogmatiek, geen openbaring van meningen. Het is een schets van de aandoeningen die de oprechte waarheidszoeker heen en weer slingeren en martelen gedurende de strijd die hij te voeren heeft met de wereld en... zichzelf. Ik kan de ware strekking van dit Gebed van een onwetende niet beter omschrijven dan met de woorden van de heer Mr. C. VOSMAER:

"Dit is een afscheidskreet van het geloof, waarin de smart nog niet heeft plaats gemaakt voor nieuwe vrede uit hogere waarheid. En voor ieder die ernstig de waarheid wil, en de werkelijkheid in het aangezicht durft zien, komt die vrede".

Juist! Het durven aanzien van werkelijkheid, de moed om waarheid te erkennen, zal ons verlossen van de spokerij van het Geloof, en inderdaad VRIJ maken. Wie denkt, overwint.'

Een persoonlijke God is onmogelijk

Volgens Multatuli is het geloof in een persoonlijk God een onmogelijkheid. Het stelsel van de natuurwetten sluit het bestaan van een God uit, die immers tot werkloosheid zou zijn gedoemd. Uit de wetten van de Natuur vloeit de Noodzakelijkheid voort, die Multatuli aanvankelijk in navolging van Spinoza wenste aan te duiden als 'God', 'Jehovah'. Zíjn religie is de fysica, niet de metafysica. De 'meta-fysica' is datgene wat buiten de Natuur ligt, door Multatuli met een neologisme het 'buiten-issige' genoemd; onkenbaar voor de mens. Het geluk van de mensheid is volgens hem meer gediend met vrije studie van de natuur dan met traditioneel geloof.

Hier zet Multatuli de ethische stap die leidt tot de kern van zijn filosofie: de mens moet zijn natuur volgen, die inherent goed is, en zich niet laten leiden door regels die tegen de natuur ingaan. In zijn werk laat hij zien hoe fnuikend het is als mensen elkaar regels willen opleggen: gelovigen maken elkaar uit geloofsijver het leven zuur en vrouwen zijn - in de Bijbel en in de bekrompen navolging daarvan - dikwijls de dupe. Kortom: godsdienst staat het geluk van de mensheid in de weg.

'Ik zie niet in waartoe een God ons dient, in t scheiden
Van t boze en t goede. Integendeel!
'

Strategisch is aanvankelijk ook de manier waarop hij Jezus van Nazareth positief afzet tegen de christenen. Daarin leek Multatuli op Dostojevski, die in 1881 in De gebroeders Karamazov de grootinquisiteur tegenover Jezus plaatste (de grootinquisiteur leidt namens de RK kerk de inquisitie tegen de ketters). Multatuli verzet zich tegen de humbug waarmee Jezus door gelovigen is omgeven; hij trachtte hem als mens te zien, mét zijn fouten. Gaandeweg is hij kritischer gaan oordelen over Christus, vooral over diens al te grote vergevingsgezindheid.

Het humanisme

Multatuli is de schepper van het aforisme 'De roeping van de mens is mens te zijn!' Een grote affiniteit had hij met de in 1856 opgerichte vereniging De Dageraad, waarvan zijn aanvankelijke vriend (en soms ook uitgever, geldschieter, postbode, loopjongen) D'Ablaing van Giessenburg tot 1864 voorzitter was. Anders dan het gelijknamige, deïstische tijdschrift waarin Dekker in 1859 zijn Geloofsbelydenis zou publiceren, was de vereniging een bont, zij het kwijnend gezelschap van pantheïsten, atheïsten, socialisten, materialisten en andersoortige vrijdenkers. 

Het Gebed van den Onwetende is een kritisch maar ook emotioneel afscheid. En nog altijd het lezen waard.

''t Kind, dat vergeefs den vader aanroept, doet geen kwaad...
De vader, die vergeefs zyn kind laat roepen, handelt wreed!
En schoner is 't geloof: daar is geen vader,
Dan dat hy doof zou wezen voor zijn kind!
'

______________________________________________________________________________

Auteurs van deze tekst: - August Hans den Boef en Kees Snoek

Verder lezen
Gasenbeek, B., 'Misschien is niets geheel waar...'. Multatuli, inspiratiebron voor vrijdenkers en humanisten, uitgeverij Papieren Tijger & De Vrije Gedachte (2010).