
De Humanistische Canon is een initiatief van het Humanistisch verbond. Wil je ons steunen? Klik dan op onderstaande knop.
Historisch opgebouwd via vensters en werken
De Canon is historisch opgebouwd via ‘vensters’. Vensters geven een belangrijke periode of ontwikkeling in de geschiedenis van het humanisme weer en vormen de ‘ingang’ in de Canon. Deze vensters vindt u op de homepagina. U ziet linksboven de oudste periode (het venster ‘Paideia’) en rechtsonder de jongste (het venster ‘Humanisme nu’).
In ieder venster vindt u diverse ‘werken’. Dit zijn exemplarische boeken, films, strips, wetten, personen en kunstwerken binnen het venster. In het venster ‘Existentialisme’, vindt u bijvoorbeeld de werken ‘De mythe van Sisyphus’ van Camus, ‘Het existentialisme is een humanisme’ van Sartre en ‘De tweede sexe’ van De Beauvoir.
Mocht u specifiek naar iets op zoek zijn dan kunt u de zoekfunctie gebruiken, bovenaan de pagina.
Met Grondslagen van humanisme geeft Jaap van Praag (1911 – 1981) aan het einde van zijn werkzame leven als prominent denker en mede-oprichter van het Humanistisch Verbond een inleiding tot een humanistische leef- en denkwereld. Een wereld waaraan hij een essentiële bijdragen heeft geleverd.
Grondslagen van humanisme onderscheidt zich van de talrijke andere introducties, doordat het de humanistische overtuiging als een samenhangend geheel aan de orde stelt. Hoewel hij persoonlijk accenten legt, streeft Van Praag een zekere mate van objectiviteit na. Hij beperkt zich daarbij tot het seculier humanisme zoals dit zich vanaf de 18e eeuw als zelfstandige kracht in het Westen heeft ontwikkeld.
In de inleiding Vervreemding en verantwoordelijkheid schetst Van Praag de problematiek van de moderne technische revolutie. De maatschappij verandert snel door nieuwe technologieën en deze veranderingen zijn zowel uitdagend als vervreemdend. Ze vragen dan ook om een verantwoord en humaan gebruik.
Vervolgens gaat Van Praag de historische verschijningsvormen van het humanisme na, vanaf de Renaissance tot en met het existentialisme van de 20e eeuw. Hij beschrijft de Renaissance als een belangrijke periode in de westerse traditie waarin de autonomie en de waardigheid van de mens weer opduiken. De Renaissancedenkers grijpen terug naar de klassieke Oudheid. Na de moderne tijd en de contemporaine wetenschap en filosofie, schetst hij de organisatorische vormen die het moderne humanisme heeft aangenomen tot aan de oprichting van de International Humanist and Ethical Union (IHEU) in 1952 aan toe.
Het onder humanisten meest besproken deel van het boek zijn de zogenoemde humanistische postulaten, kernideeën. Van Praag hanteert een fenomenologische methode om deze ideeën op te sporen en te beschrijven. Dit wil zeggen dat hij zo nauwkeurig mogelijk de beleving van het humanisme onderzoekt. Langs deze weg komt hij tot een systematisch geheel van humanistische kernideeën, die hij denknoodzakelijke postulaten noemt. De postulaten zijn enerzijds geen willekeurige uitspraken of de neerslag van louter persoonlijke voorkeuren, maar anderzijds door hun open karakter wel vatbaar voor kritiek of verandering. Het is nu juist zijn bedoeling het humanisme te verduidelijken zonder het te doen stollen tot een onaantastbare leer.
Samen vormen de postulaten de grondslagen van respectievelijk een humanistische antropologie, mensbeeld, en een humanistische ontologie, beeld van de werkelijkheid. In deze twee groepen van postulaten komt de humanistische geesteshouding tot uitdrukking. De vijf postulaten die het humanistische mensbeeld uitmaken zijn:
Het humanistische wereldbeeld vat de werkelijkheid op als:
In het derde hoofdstuk Levenspraktijk blijkt dat Van Praag als geestelijk vader van de humanistiek, de theorie van het humanisme, het humanisme toch vooral ziet als een levensbesef en het uitoefenen van een levenspraktijk. De theorie biedt weliswaar inspiratie en samenhang, maar humanisme komt als levensbesef en levenspraktijk tot zijn kern.
Een deel van de praktijk van humanisme beschrijft Van Praag in Broeders hoeder? Onderdeel van het humanisme is de begeleiding in diverse werkvormen, te weten het humanistisch geestelijke raadswerk, het groeps- en het vormingswerk en het humanistisch vormingsonderwijs (HVO). Het eigene van het humanisme op het terrein van het humanistisch geestelijk raadswerk ziet Van Praag in de verbinding tussen bezinning en handeling, gericht op het activeren van onze vermogens tot zingeving, (her-)oriëntatie en zelfbestemming.
In Menswording van de mens besluit Van Praag met de volgende bewogen conclusie: ‘Het humanisme heeft als opdracht de mythe van de menswording tot leven te brengen, niet in de zin van een vlucht uit een weerbarstige werkelijkheid, maar als de hoop op vervulling van menselijke mogelijkheden.‘
Van Praag laat in Grondslagen van humanisme zien dat humanisme als levensvisie een plek heeft naast andere levensovertuigingen. Ondanks de titel is Grondslagen van humanisme zeker niet louter theoretisch van aard. Het toont de samenhang tussen praktisch werk en de theoretische overtuiging. Verder weet Van Praag met het open karakter van zijn humanisme zowel de valkuil van het dogmatisme als de valkuil van scepticisme en relativisme goed te vermijden.
In On The Origin of Species by Means of Natural Selection wordt voor het eerst in de geschiedenis een plausibele, wetenschappelijk onderbouwde verklaring voor de ontwikkeling van het leven op aarde gegeven. De impact van zijn werk op de natuurwetenschappen en ons wereldbeeld is nauwelijks te overschatten. Charles Darwin (1809 – 1882) veranderde onze kijk op wie we zijn en waar we vandaan komen volledig.

Afbeelding: De Beagle, schilderij door Conrad Martens (ca. 1831-1836)
In 1831 stapt Darwin aan boord van het schip de Beagle voor een vijf jaar durende reis rond de wereld. Tijdens de reis noteert hij nauwkeurig zijn observaties van de flora en fauna in verschillende werelddelen en stuurt kisten vol specimen naar Groot-Brittannië. In de jaren na zijn reis publiceert Darwin verhalen over zijn ervaringen aan boord van de Beagle en wordt zo een graag geziene gast in de salons van Londen.
Hoewel Darwin geniet van het aanzien en zijn kalme en plezierige leven, blijft er een vraagstuk aan hem knagen: hoe komt soortvorming tot stand? Waar kwam de grote variëteit aan soorten vandaan die hij tijdens zijn reizen vond en die alle perfect waren aangepast aan hun natuurlijke habitat? In 1859, 28 jaar nadat hij aan boord ging van de Beagle, publiceert Darwin het antwoord op dit vraagstuk in zijn magnum opus ‘On the Origin of Species‘. De evolutietheorie is geboren.
Maar wat zegt Darwin nu eigenlijk in On the Origin? Simpel gesteld kan je zijn evolutietheorie terugbrengen tot twee basale uitgangspunten: Het leven op aarde heeft zich gedurende een proces van miljoenen jaren geleidelijk ontwikkeld vanuit a common descent, een gemeenschappelijke voorouder. Het mechanisme dat verantwoordelijk is voor dit verbazingwekkende proces is natuurlijke selectie.
Het mechanisme van natuurlijke selectie bestaat uit drie onderdelen: variatie, selectie en reproductie. Het laat zich als volgt illustreren:
Bij het ontstaan van elk organisme vinden mutaties plaats. Niet elke roos is hetzelfde, en niet elke zoon is een exacte kopie van zijn vader. Er bestaat dus variatie onder organismen. Deze min of meer toevallige mutaties doen vaak niet ter zake. Of jij een iets grotere schoenmaat hebt dan je vader betekent weinig voor je overlevingskansen.
Er zijn echter ook mutaties denkbaar, die wel degelijk voordeel – of nadeel! – opleveren in een bepaalde omgeving. Scherpere klauwen of langere benen kunnen erg handig zijn als je moet vechten of vluchten. Een net iets langere nek hebben dan je soortgenoten is handig om beter bij de bovenste blaadjes van een boom te komen. De omgeving stelt eisen aan organismen en selecteert op deze wijze nuttige eigenschappen. Organismen die beter zijn aangepast hebben betere kansen om te overleven dan hun soortgenoten zonder die nuttige eigenschappen.
Hiermee komen we bij het laatste kenmerk van natuurlijke selectie: reproductie. Organismen die een hogere overlevingskans hebben, zullen zich vaker en succesvoller voortplanten dan hun soortgenoten. Dit zorgt ervoor dat hun genen vaker aan nieuwe generaties worden doorgegeven. Darwin had zelf nog geen weet van genen, maar dat kinderen op hun ouders lijken had hij al wel in de gaten. Dit simpele mechanisme leidt tot de meest prachtige organismen, allen perfect aangepast aan hun omgeving, aldus Darwin.

Afbeelding: De evolutie van Homo Sapiens
In de 150 jaar sinds de publicatie van On the Origin zijn talloze ontdekkingen gedaan en is Darwins evolutietheorie gemoderniseerd. Zo worden in het begin van de twintigste eeuw geschriften van de Oostenrijkse monnik Gregor Mendel (1822 – 1884) gevonden, die baanbrekend werk had verricht rond de wetten van de erfelijkheid: de genetica. Mendel had zijn ideeën echter gepubliceerd in een botanistenblad dat nauwelijks werd gelezen. Hij krijgt pas postuum lof voor zijn bevindingen. Een andere belangrijke ontdekking is de ontrafeling van het menselijk DNA door James Watson en Francis Crick in 1953. De grondbeginselen van Darwins evolutietheorie zijn echter ongewijzigd gebleven.
Het had niet veel gescheeld, of iemand anders was de vader van de evolutietheorie geworden. Hoewel Darwin al decennia werkte aan zijn geesteskind, is een jonge natuurvorser, Alfred Wallace, hem bijna te snel af. Darwin krijgt lucht van Wallace zijn bevindingen – wat hem haast een beroerte oplevert – en na een kort spoedoverleg met bevriende wetenschappers zet hij zich aan het schrijven en publiceert zo snel hij kan. Met Wallace gooit hij het op een akkoordje.
Deze rare samenloop van omstandigheden heeft dan ook bijgedragen aan het karakter van het boek. Het is geen doorwrocht en zwaar academisch werk, maar opgebouwd als een betoog. Aan de hand van praktijkvoorbeelden en stellingen die de lezer niet tegen de borst zullen stoten, werkt Darwin zijn theorie uit en overtuigt zijn lezer. De academische omgeving van het 19e eeuwse Engeland, met haar salons en genootschappen, accepteert Darwins bevindingen relatief gemakkelijk en prijzen hem voor zijn prestatie. In de Victoriaanse maatschappij van die tijd zorgt het werk echter voor opschudding.
De invloed van Darwin op ons wereldbeeld is enorm. Niet langer staat de mens los van de natuur: hij is er onderdeel van. Sterker nog, de mens is waarschijnlijk slechts een toevallige uitkomst van het blinde evolutionaire proces. Vanzelfsprekend brengt deze gedachtegang een schok teweeg in de maatschappij waarin Darwin leefde. Hoewel Darwin huivert voor een groot debat in een samenleving die al genoeg spanningen kent, is het gezien de impact van zijn werk nauwelijks te voorkomen. Darwin zelf houdt zich afzijdig maar mede-bioloog Thomas Huxley, die ook wel Darwins ‘bulldog‘ wordt genoemd, gaat het debat met tegenstanders van de evolutietheorie graag en veelvuldig aan.
Darwins theorie vormt een grote uitdaging voor het christelijk wereldbeeld waarin de mens de kroon op de schepping is en het beginsel van het creationisme, het idee dat al leven op aarde in één keer is geschapen door God. Het zwart-witte scenario waarin men pre-Darwin letterlijk de Bijbel citeert en hem post-Darwin overboord zet, is echter te simplistisch. Al vóór de publicatie van On the Origin is het oudtestamentische wereldbeeld van een God die hemel en aarde schiep en zich bemoeit met het leven op aarde uit de mode geraakt. Er worden fossielen gevonden van onbekende wezens. Geologische bevindingen tonen dat de aarde ouder is dan aanvankelijk gedacht en veel – christelijke – natuuronderzoekers. En filosofen en theologen zoeken naar rationele verklaringen voor het functioneren van de wereld.
Desalniettemin wordt met de publicatie van On the Origin een steen geworpen in zowel de wetenschappelijke als de maatschappelijke vijver. Anno nu, ruim 150 jaar na verschijning, houdt On the Origin nog steeds de gemoederen bezig. Voor meer informatie over het actuele debat: zie de Link naar de Creationisme-folder in de linkerkolom.
Galileo Galilei bracht in de 17e eeuw een volledige omwenteling teweeg in ons beeld van de wereld en de kosmos. Net als Copernicus verdedigde hij de stelling dat de aarde om de zon draait en niet andersom, zoals tot dan toe werd aangenomen. Hij kwam niet alleen in conflict met de wetenschappelijke wereld maar ook met de kerk. Nu wordt hij gezien als één van de grootste wetenschappers aller tijden.

Het geocentrische wereldbeeld van Ptolemaios en Aristoteles: de aarde in het midden.
Niemand dan ze wiskundige en filosoof Galilei heeft meer bijgedragen aan de omwenteling in het denken over de natuur en aan de moderne natuurwetenschap in de 17e eeuw. Tweeduizend jaar lang was de natuurkunde een bezigheid geweest van filosofen. De wereld werd in één grote interpreterende greep genomen op basis van onze dagelijkse ervaring en ons gezonde verstand. De samenhang tussen afzonderlijke verschijnselen bracht men vooral verbaal tot uitdrukking. Galilei was de eerste die zich consequent richt op partjes van de wereld. Hij kwam deze partjes op het spoor met behulp van instrumenten en wilde deze zo exact mogelijk uitdrukken. Wat hij aantrof, ging vaak in tegen onze intuïties.
Het best uitgewerkte voorbeeld van deze nieuwe benadering staat in Galilei’s wetenschappelijke meesterwerk en laatste boek, de Discorsi e Dimostrazioni Matematiche, intorno a due nuove scienze, Gesprekken en wiskundige bewijzen over twee nieuwe wetenschappen. Hij schreef het terwijl hij onder huisarrest stond en smokkelde het naar Nederland, waar het in 1638 werd uitgegeven. Hoe komt het eigenlijk, dat een voorwerp dat naar beneden valt, steeds sneller valt? Een simpele vraag. Aristoteles meende dat de snelheid van een val afhangt van de zwaarte van het vallende object. Hoe zwaarder het object, hoe sneller de val.
Galilei ging het onderzoeken en merkte dat wanneer een voorwerp verticaal naar beneden valt, het niet zomaar sneller en sneller valt zoals iedereen kan waarnemen. De snelheid groeit juist steeds weer met gelijke porties aan. Alles valt in wezen even snel. In de dagelijkse werkelijkheid is dat niet zo, maar wel in een vacuüm. Een natuurwet dus, die niet klopt met onze intuïtie en pas ontdekt kan worden met de juiste instrumenten en berekeningen.
Op de achtergrond van deze vroege natuurwet stond Galilei’s radicaal nieuwe gedachte dat een bewegend object de neiging heeft in die beweging te volharden. De zwaarte van het object maakt niets uit. Ook dat is anders dan we in werkelijkheid waarnemen. Een kar die ik wegduw komt al gauw nadat ik hem heb losgelaten tot stilstand. Alleen in een abstracte wereld van wiskundige logica waar alle storende omstandigheden uit zijn weggefilterd, blijft een voorwerp alsmaar door bewegen. Dat de val niets te maken heeft met de zwaarte van het voorwerp op het moment dat we storende omstandigheden wegnemen, werd inzichtelijk gemaakt door de NASA ruimtevaartmissie Apollo XV in 1971, waar men op de maan een hamer en een veer liet vallen. De consequenties van deze inzichten mochten er wezen. Ze boden het uitzicht op een nieuw, tegen-intuïtief soort natuurwetenschap, met de wiskunde als taal en het experiment als toetssteen.
Afbeelding: Galilei voor de Inquisitie in het Vaticaan, door Joseph-Nicolas Robert-Fleury (1847)
Galilei’s nieuwe denken bracht hem tot de destijds radicale overtuiging dat de aarde niet stilstaat maar als één van de planeten om de zon draait en bovendien in een etmaal om haar eigen as wentelt. Sinds Aristoteles dacht men daarentegen dat de aarde het middelpunt van het heelal was.
Copernicus had die radicale gedachte ruim een halve eeuw eerder naar voren gebracht en astronomisch-technisch uitgewerkt. Vóór het begin van de 17e eeuw geloofde maar een tiental personen deze theorie. Er waren immers talloze bezwaren die later onjuist bleken. Galilei was één van degenen die Copernicus geloofde. Met behulp van zijn nieuwe idee van beweging wist hij een hele reeks van de bezwaren tegen Copernicus te weerleggen. Hij deed dat in zijn andere meesterwerk, de Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, Dialoog over de twee grote wereldsystemen (1632). Het werk heeft de vorm van een dialoog tussen Copernicus en Ptolemaios (zie ook onder Copernicus). Ptolemaios was een astroloog uit de Griekse Oudheid die net als Aristoteles meende dat de aarde het middelpunt van ons zonnestelsel was. Copernicus beweerde daarentegen dat dat de zon moest zijn.
Het heliocentrisch wereldbeeld van Copernicus en Galilei: de zon in het midden
In het briljant geschreven pleidooi ten gunste van Copernicus maakte Galilei gloedvol gebruik van een reeks waarnemingen die hij in 1609 aan de sterrenhemel had gedaan met een toen geheel nieuw instrument, de telescoop. Daarmee zag hij bijvoorbeeld dat Jupiter een aantal manen had die in een baan om hun planeet draaiden. Hoe kan Jupiter eigen manen hebben, als alles om de aarde draait?
De Dialogo leidde tot een geheel uit de hand gelopen conflict met de katholieke kerk. De kerk zette het op de Index, de lijst van verboden boeken. Galilei was zelf katholiek. Zijn campagne ten gunste van Copernicus was juist mede bedoeld om zijn moederkerk te beschermen. Als de kerk een wetenschappelijk onhoudbaar standpunt bleef innemen, zou ze zich onsterfelijk blameren. Weliswaar is Galilei door de Inquisitie nooit gefolterd, maar hij is wel met succes verbaal onder forse druk gezet om zijn Copernicaanse overtuiging af te zweren. Ook heeft hij nooit, zoals vaak wordt beweerd, meteen na afloop van het proces gezegd Eppur si muove, En toch beweegt ze – namelijk de aarde. Maar de verhoudingen waren flink verstoord.
Tussen Galilei en de kerk deed zich een vijftienjarige escalatie voor. Beide partijen hebben hieraan bijgedragen met een opvallend gebrek aan behoedzaamheid. Hoewel de Paus in 1992 zijn excuses aanbood voor de behandeling van Galilei, heeft het de verhouding meteen grondig bedorven tussen de natuurwetenschap en een religie die zich op de letterlijkheid van Gods woord richt.
Terwijl alle geleerden vóór hem de aarde als het vaste middelpunt van het heelal zagen, stelde Copernicus (1473 -1543) dat de zon het middelpunt van het heelal is. Deze Copernicaanse revolutie heeft ons wereldbeeld ingrijpend veranderd. Copernicus’ theorie werd eerst slechts beschouwd als een buitenissig idee. Pas in de 17e eeuw verwerft het aanhang en wordt het door de kerk veroordeeld.
Copernocus’ Planisfeer.
De Pool Nicolaus Copernicus wijdde zich aan het einde van zijn leven als kanunnik aan de studie van de antieke sterrenkundigen. Zijn hoofdwerk, De revolutionibus orbium coelestium, Over de omwentelingen van de hemelse sferen verscheen in 1543, het jaar van zijn dood. Terwijl alle geleerden tot dan toe de aarde als het vaste middelpunt van het heelal hadden gezien waar zon, maan, sterren en planeten omheen draaien, het zogenaamde geocentrische model, stelde Copernicus dat de zon het middelpunt van het heelal is. De aarde en planeten bewegen om de zon. Alleen de maan draait om de aarde. Bovendien wordt de afwisseling van dag en nacht niet veroorzaakt door de omwenteling van de hemel, maar van de aarde zelf. Dit wordt het heliocentrische model genoemd, naar het Griekse woord helios, zon.
Copernicus motieven voor deze, achteraf gerechtvaardigde, innovatie zijn niet helemaal duidelijk. Dat de aarde om de zon beweegt was immers in strijd met het gezond verstand en de onmiddellijke waarneming. Zij trad bovendien alle dan geaccepteerde natuurkundige beginselen met voeten. Veel praktisch voordeel had het nieuwe model ook niet. Het tot dan toe geaccepteerde sterrenkundige systeem van Ptolemaios voorspelde de bewegingen van de hemellichamen heel goed en het systeem van Copernicus bracht daarin vooralsnog geen verbetering.
De reden om toch aan zijn heliocentrische model de voorkeur te geven lijkt vooral esthetisch van aard: het is mooier. Het model zit logischer in elkaar dan dat van Ptolemaios en bezit een zekere wiskundige harmonie. Copernicus gaat er van uit dat de werkelijkheid gehoorzaamt aan zulke esthetisch-wiskundige maatstaven.
De aanvankelijke reacties op Copernicus’ nieuwe model.
Als werk van technische sterrenkunde kende Copernicus’ boek zijn weerga niet en het werd dan ook alom bewonderd. De verbeterde sterrenkundige tabellen werden snel algemeen gebruikt. Maar zijn ideeën over de bouw van het heelal werden door de meeste geleerden aanvankelijk genegeerd. Galileo Galilei was één van de weinigen die Copernicus’ ideeën volmondig verdedigden. Er bestond in de tijd van Copernicus een scheidslijn tussen het technische berekenen en voorspellen van de stand van sterren en planeten enerzijds, en een filosofische en natuurkundige visie op het echte heelal anderzijds. Het model van Copernicus wordt als technisch-wiskundig instrument geaccepteerd, maar de filosofisch-natuurkundige kant is veel problematischer. Het is immers in strijd met de leer van de Rooms-katholieke kerk en de klassieke opvattingen. De uitgever van het werk gaf voor de zekerheid in het voorwoord aan dat het om een wiskundige verhandeling ging, níet om een beschrijving van de realiteit.
Hoewel al vroeg werd opgemerkt dat het stelsel van Copernicus in strijd is met het wereldbeeld van de bijbel, werd zijn systeem eerst gezien als een buitenissige sterrenkundige theorie. Theologen maken zich er niet echt druk om. Pas in de zeventiende eeuw werd zijn stelsel een boegbeeld voor een nieuwe natuurkunde. Deze nieuwe natuurkunde negeerde de traditionele ondergeschiktheid van de natuurkunde aan het leergezag van de theologen. Toen pas kwamen er kerkelijke veroordelingen.
In populair-filosofische verhandelingen wordt nog wel eens beweerd dat de reden voor het verzet tegen het Copernicaanse stelsel was gelegen in het feit dat Copernicus de mens uit zijn centrale positie in het heelal had verwijderd. Dit echter is een later verzinsel en onjuist. Geen enkele veroordeling van het Copernicaanse stelsel geeft dit aan als reden.
De middeleeuwse mens zag de wereld niet in termen van centrum en periferie, maar eerder in termen van hoog-laag. De hemel was het hoogste en ook edelste, letterlijk meest verheven deel van de wereld. De aarde bevond zich in deze visie in de laagste, minst aanzienlijke plaats in het heelal, afgezien van de hel, die zich in het middelpunt van de aarde bevond. Copernicus maakte de aarde tot een hemellichaam en plaatste de mens dus in de hemel, juist een veel aanzienlijker plaats.
De problemen ontstonden toen de nieuwe zeventiende-eeuwse natuurfilosofische theorieën, die mede op het werk van Copernicus gebaseerd waren, als bedreigend werden gezien. De veroordelingen van het Copernicaanse stelsel hadden te maken met het feit dat in de Bijbel duidelijk sprake is van een geocentrisch wereldbeeld. In de nieuwe theorieën was minder ruimte voor wonderen en direct goddelijk ingrijpen. De nieuwe natuurfilosofie stelt bovendien de filosofie niet langer ondergeschikt aan de theologie. De problemen van de kerk hadden hier mee te maken, en niet met het feit dat de mens uit zijn centrale positie in het heelal wordt gestoten.
Hoe hangen de natuurverschijnselen samen? Welke orde valt erin te ontdekken? Vragen die de mens zich al eeuwen stelt. In de late Middeleeuwen ontwikkelde zich een nieuwe manier om deze vragen te beantwoorden: de natuurwetenschappen.

Copernicus, Gesprek met God, door Jan Matejko (1872)
Het begin van de Wetenschappelijke Revolutie wordt vaak in 1543 gelegd. Copernicus publiceert dan zijn Over de omwenteling van de hemelse sferen. In dit boek geeft hij aan dat niet de aarde het middelpunt van het heelal is, maar dat de planeten om de zon draaien: het heliocentrische systeem. Omdat deze leer in tegenspraak was met de leer van de kerk, werd het boek in 1616 op de index van verboden boeken gezet.
De ontwikkeling van de nieuwe manier om naar de wereld te kijken vormde geen plotseling breuk. Toch kunnen we wel constateren dat zich in het 16e en 17e eeuwse Europa een overgang tussen de vroegere natuurfilosofie en de moderne natuurwetenschap heeft voorgedaan, de Wetenschappelijke Revolutie.
Natuurfilosofen schetsten de wereld als geheel in woorden. Moderne natuurwetenschappers proberen daarentegen greep te krijgen op partjes van de wereld. Ze gebruiken vaak instrumenten als hulpmiddelen voor goede observatie, en streven precisie na. De essentie zit hem dan niet in de verbale uiteenzetting, maar in goed waarnemen en het eenduidig opschrijven van die observaties. De wetenschappelijke revolutie bracht nieuwe inzichten naar voren in bijvoorbeeld de scheikunde en de biologie, maar was vooral ook een nieuwe methode om de wereld te onderzoeken.
De wereld waar de oude natuurfilosofen verslag van uitbrachten, was de wereld van onze dagelijkse ervaring, bezien vanuit een metafysisch-religieus gezichtspunt. Bij de metafysisch-religieuze ontrafeling van de wereld kon je met je gezonde verstand een heel eind komen. Daarentegen demonstreert de moderne natuurwetenschap dat verschijnselen die wij dagelijks waarnemen, bijvoorbeeld een om ons heen draaiende zon, bij goede observatie wel eens onjuist kunnen blijken. De moderne natuurwetenschap is dan ook contra-intuïtief.
De Revolutie heeft zich niet rechtlijnig voltrokken. Rond 1600 hebben met name Johannes Kepler (1571 – 1630) en Galileo Galilei (1564 – 1642) manieren gevonden om via de wiskunde inzicht te krijgen in bijvoorbeeld het zonnestelsel of de val van voorwerpen op aarde. Hun wiskundige aannamen konden getoetst worden door middel van observatie en via experimenten.

Francis Bacon door J. Vanderbank (ca. 1731), National Portrait Gallery, London
Vrijwel gelijktijdig, maar wel afzonderlijk van elkaar wisten Francis Bacon, William Harvey, William Gilbert en Jan van Helmont via de experimentele methode nieuwe verschijnselen op het spoor te komen. Bijvoorbeeld dat onze bloedsomloop wordt aangedreven door het hart. En ook ontwikkelden in diezelfde tijd Isaac Beeckman, René Descartes en Pierre Gassendi natuurfilosofieën van een ten dele nieuw type, waarmee natuurverschijnselen veel gedetailleerder konden worden verklaard.
In de loop van de 17e eeuw gingen vervolgens de nieuwe vormen van natuurkennis op elkaar inwerken. En tenslotte heeft in 1687 Isaac Newton met zijn revolutionaire Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, Beginselen van een wiskundige natuurwetenschap, de kroon gezet op een kleine eeuw pionierswerk, dat het menselijk kennen en ook kunnen voor altijd heeft veranderd.

Titelblad van de Principia, Newton (1687)
De hier geschetste omwenteling heeft ingrijpende wereldbeschouwelijke gevolgen met zich meegebracht. Natuurfilosofie maakte onlosmakelijk deel uit van de filosofie, die altijd al religieus was georiënteerd en in de Middeleeuwen nauw met het christelijk geloof verstrengeld was geraakt. Meteen al in de 17e eeuw begint een proces van ontwarring, dat met horten en stoten tot in onze tijd doorgaat. Sindsdien kunnen we er nauwelijks meer onder uit, ons rekenschap te geven van wat de moderne natuurwetenschap met zich meebrengt voor ons mens- en wereldbeeld.