
De Humanistische Canon is een initiatief van het Humanistisch verbond. Wil je ons steunen? Klik dan op onderstaande knop.
Historisch opgebouwd via vensters en werken
De Canon is historisch opgebouwd via ‘vensters’. Vensters geven een belangrijke periode of ontwikkeling in de geschiedenis van het humanisme weer en vormen de ‘ingang’ in de Canon. Deze vensters vindt u op de homepagina. U ziet linksboven de oudste periode (het venster ‘Paideia’) en rechtsonder de jongste (het venster ‘Humanisme nu’).
In ieder venster vindt u diverse ‘werken’. Dit zijn exemplarische boeken, films, strips, wetten, personen en kunstwerken binnen het venster. In het venster ‘Existentialisme’, vindt u bijvoorbeeld de werken ‘De mythe van Sisyphus’ van Camus, ‘Het existentialisme is een humanisme’ van Sartre en ‘De tweede sexe’ van De Beauvoir.
Mocht u specifiek naar iets op zoek zijn dan kunt u de zoekfunctie gebruiken, bovenaan de pagina.
Humanitas wordt in de oudheid beschouwd als datgene wat de mens werkelijk tot mens maakt. Het negentiende-eeuwse woord humanisme is afgeleid van humanitas, dat zelf weer verwijst naar homo (mens) en humanus. Humanitas drukt de idee uit dat de mens de moeite waard is.
Humanitas is een begrip waarin verschillende facetten van menselijk gedrag tot uitdrukking worden gebracht. Belangstelling voor de medemens en zijn lot en vriendelijke en beschaafde omgang met elkaar maken er onderdeel van uit. Het gaat om een vormingsideaal waarin smaak en verfijning centraal staan en veel belangstelling uitgaat naar literair-filosofische thema’s. 
Humanitas is zowel het daadwerkelijk menselijke, als de vorming tot menselijkheid. De kiem van al deze ideeën is te vinden in de Griekse cultuur onder meer in het idee van paideia, vorming, en philantropia, menslievendheid. Ideeën die de Romeinse diepgaand hebben beïnvloed. De uiteindelijke vormgeving van de gedachten is echter op het conto van de Romeinen zelf te schrijven.
Afbeelding: De jonge Cicero leest door Vincenzo Foppa (ca. 1464), Wallace Collection, Londen
De invloed van de Griekse cultuur op Rome wordt voor het eerst zichtbaar in de derde en tweede eeuw voor Christus, en wel in de literatuur. De vroegst overgeleverde Romeinse literatuur wordt gevormd door de komedies van Plautus (254-184 v. Chr.) en Terentius (190-158 v.Chr.). Beroemd is de uitspraak van één van de hoofdrolspelers in de komedie De zelfkweller van Terentius:
‘Ik ben een mens en niets menselijks acht ik mij vreemd.’
In diezelfde tweede eeuw voor Christus krijgt de Griekse filosofie voet aan de grond in Rome, ook in de hoogste politieke kringen. De beroemde Romeinse veldheer en politicus Publius Cornelius Scipio Africanus de Jongere (185-129 v. Chr.) was al vanaf zijn vroege jeugd geïnteresseerd in de Griekse cultuur en filosofie en verzamelde een kring van gelijkgestemden om zich heen. Hun opvattingen en gesprekken zijn in gestileerde vorm weergegeven in de geschriften van de filosoof Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.) in bijvoorbeeld De amicitia, De natura deorum en De Officiis. De kring van de Scipionen bespreekt in een sfeer van ongebondenheid allerlei filosofische problemen. Literaire verfijning en een beschaafde omgang met elkaar staan voorop en horen bij de kern van wat humanitas uitmaakt.

Bij de Romeinen krijgt het begrip humanitas, met name door toedoen van Cicero, een veelomvattender betekenis. Cicero werkt het begrip verder uit doordat hij dit idee nader in verbinding brengt met de actuele filosofische stromingen, vooral die van de Stoa (zie Seneca en Marcus Aurelius) en Epicurus. Deze stromingen zijn vooral van belang voor het begrip humanitas, omdat zij voor een belangrijk deel materialistisch zijn. Zij sluiten een direct goddelijk ingrijpen in de wereld uit en benadrukken daarmee de rol van de mens zelf als het gaat om de ethische aspecten.
Afbeelding: Stoa betekent letterlijk ‘zuilengalerij’. Zeno van Citium (333-262 v. Chr.) stichtte zijn school op in een stoa, waar men al wandelend filosofeerde.
Daarnaast zet Cicero humanitas af tegen twee andere polen: het goddelijke en het dierlijke. De mens is een wezen dat de moeite waard is, maar hij is natuurlijk geen god en kent dus zijn beperkingen. Anderzijds onderscheidt de mens zich in positieve zin van de dierenwereld doordat hij beschikt over de rede, het verstand en het instrument van de taal. De mens kan – anders dan het dier – de wereld duiden en naar zijn hand zetten.
Cicero stelt de term humanitas zo op een begripsmatig hoger plan, maar geeft er ook een persoonlijker invulling aan. We zien dit in de talrijke brieven die hij heeft geschreven en in de manier waarop hij het ideaal van humanitas echt tot iets van mensen van vlees en bloed maakt.
Zo bevat humanitas een beschavings- en vormingsideaal en is het een leidraad voor omgang met elkaar. En tevens is de aanzet tot ideeënvorming over wat een mens tot een mens maakt, de moderne wetenschappelijke studie van de mens.
Het begin van het humanisme wordt in de Griekse cultuur gelegd. De Griekse filosoof Socrates (vijfde eeuw voor Christus) wordt vaak als grondlegger van het humanisme beschouwd. Socrates stelde vragen bij allerlei vanzelfsprekendheden en probeerde mensen op die manier aan het denken te zetten. Hij werd hiervoor uiteindelijk ter dood veroordeeld. Deze dialogische manier van denken maakt deel uit van de opvoeding tot volledig mens: paideia.

De dood van Socrates door J.L David (1787)
Het woord paideia betekent opvoeding of ook wel jeugd, het is afgeleid van het Griekse woord pais: ‘kind’. De redenaar Socrates (436-338 v. Chr.), heeft het begrip zijn definitieve gestalte gegeven. Bij hem wordt paideia tot een opvoedingsideaal dat gericht is op de vorming tot een volledig mens. Het gaat om kennis van de Griekse cultuur, literatuur en met name om de rhetorica. Deze vorming was alomvattend en had excellentie als doel. In paideia staat kennis centraal, maar het is tegelijkertijd een beschavings- en vormingsideaal gericht op karaktervorming. Begrippen als verfijndheid, innerlijke en uiterlijke beschaving, proportionaliteit (ook van het lichaam) en wellevendheid maken er deel van uit.
Terwijl in de vroegste Griekse geschiedenis paideia de beperkte betekenis heeft van opvoeding bestemd voor de Griekse aristocratie, valt er in de loop van de vijfde eeuw voor Chr. een democratisering van het onderwijs- en opvoedingsideaal te constateren. Dit heeft te maken met de opkomst van Athene als democratie. Er ontstaat behoefte aan informatie en kennis op allerlei gebied. Ook van invloed is de stormachtige ontwikkeling die de filosofie en de wetenschappen in deze periode doormaken. Een geweldig reservoir aan kennis op gebieden als wiskunde, geneeskunde, geografie, geschiedenis en architectuur ontwikkelt zich. In een open samenleving als het Athene van de vijfde eeuw voor Chr. sijpelt deze kennis langzaam door naar de minder bevoorrechte bevolkingsgroepen.
‘Toen Zeus zich met de mens bezighield, gaf hij aan elk van hen een welbepaalde deskundigheid, maar de politieke kennis werd gelijkmatig over iedereen verdeeld’. (Plato, Protagoras)
Degenen die deze kennis beschikbaar maakten voor een grotere groep mensen, waren de Sofisten. Dit waren rondtrekkende professoren, die hun kennis voor geld aanboden. De Sofisten waren actief op verschillende terreinen van onderwijs en wetenschap. Ze legden zich vooral toe op het onderwijzen van de rhetorica, de welsprekendheid. In het democratische Athene was het van belang voor de leden van de volksvergadering om hun argumenten op een fraaie én overtuigende wijze te kunnen verwoorden. Kenmerkend voor de Sofisten – en bijzonder goed passend bij het open karakter van de Atheense samenleving – was hun opvatting dat kennis geen vaststaand gegeven is, maar verandert al naar gelang de omstandigheden. Dat is ook de betekenis van de uitspraak van de sofist Protagoras dat de mens de maat van alle dingen is.