
De Humanistische Canon is een initiatief van het Humanistisch verbond. Wil je ons steunen? Klik dan op onderstaande knop.
Historisch opgebouwd via vensters en werken
De Canon is historisch opgebouwd via ‘vensters’. Vensters geven een belangrijke periode of ontwikkeling in de geschiedenis van het humanisme weer en vormen de ‘ingang’ in de Canon. Deze vensters vindt u op de homepagina. U ziet linksboven de oudste periode (het venster ‘Paideia’) en rechtsonder de jongste (het venster ‘Humanisme nu’).
In ieder venster vindt u diverse ‘werken’. Dit zijn exemplarische boeken, films, strips, wetten, personen en kunstwerken binnen het venster. In het venster ‘Existentialisme’, vindt u bijvoorbeeld de werken ‘De mythe van Sisyphus’ van Camus, ‘Het existentialisme is een humanisme’ van Sartre en ‘De tweede sexe’ van De Beauvoir.
Mocht u specifiek naar iets op zoek zijn dan kunt u de zoekfunctie gebruiken, bovenaan de pagina.

Frantz Fanon.
Hoewel Frantz Fanon slechts 36 jaar oud mocht worden, heeft hij grote invloed gehad op het postkoloniale denken. Hij was psychiater, filosoof en antikoloniaal activist. Zijn leven en werk geven een inkijk in het dehumaniserende effect van het kolonialisme.
In wat ooit Frans West-Indië was, werd Fanon opgevoed met de idealen van de Franse Republiek. Vanaf zijn achttiende kwam hij erachter dat deze idealen voor hem, als zwarte man, niet veel waarde hadden. Gebroken maar strijdbaar sprak hij zich uit over de effecten van het koloniale systeem, die hij aan den lijve had ondervonden. Het wereldbeeld waarop dit koloniale systeem was gebouwd had, volgens Fanon, grote schade toegebracht aan zowel de witte als de zwarte mens. Pas met het omverwerpen van het koloniale denken kon de mens verder: met een radicaal antiracistisch humanisme. Fanon heeft ons achtergelaten met een opdracht: het dekoloniseren van onze maatschappij en bevrijden van de mensheid als geheel.
De familie Fanon behoort op Martinique tot de middenklasse. Zijn vader, Félix Casimir Fanon, werkt bij de douane en zijn moeder, Eléanore Médélice heeft haar eigen winkel. Frantz heeft een comfortabele jeugd. De Franse cultuur en literatuur zijn dominant in de tijd waarin Fanon opgroeit. Maar vanaf het moment dat hij les krijgt van de dichter Aimé Césaire raakt Fanon geïnspireerd door diens denkbeelden over het herstel van de culturele identiteit van de zwarte, gekoloniseerde mens. In plaats van het (gedwongen) overnemen van de cultuur en het gedrag van de witte kolonisator, zou de zwarte mens meer kennis moeten vergaren van de eigen Afrikaanse identiteit. Met deze boodschap in het achterhoofd gaat Fanon als zwarte, Franse man in dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gedurende zijn diensttijd wordt hij geconfronteerd met het diepgewortelde racisme in de Franse samenleving. Hij keert gedesillusioneerd terug naar huis.
Fanon studeert eerst op Martinique en later in Lyon in Frankrijk. Hij volgt lessen van Maurice Merleau-Ponty en maakt kennis met het werk van Jean-Paul Sartre. Als psychiatriestudent analyseert Fanon de effecten van het kolonialisme op de mens. Zijn studiebegeleiders vinden het echter te ‘subjectief en experimenteel’ als onderwerp voor zijn scriptie. In 1952 geeft hij zijn onderzoek toch uit, onder de titel Black Skin, White Masks. Fanon is dan 27 jaar.
In wat een van zijn belangrijkste boeken zou worden verkent hij, vanuit zijn perspectief en specialisme, het fundament van antizwart racisme. Hij beschrijft het als het beleven van een formatief trauma; de schokkende ervaring van gereduceerd kunnen worden tot object: een zwarte man, waarbij een ander je van buitenaf betekenis geeft.
Hij werpt licht op de systemische component van dit probleem door niet alleen racisme als symptoom te benoemen, maar juist het kolonialisme als oorzaak aan te wijzen. Het koloniale systeem had het nodig dat de zwarte en witte mens in een vooraf vastgestelde relatie met elkaar leefden. Die vaste rollen werkten beknellend, aldus Fanon; hij werd als zwarte man niet zomaar geaccepteerd – hoe zeer hij ook niet probeerde te lijken op de witte man. Tegelijkertijd constateerde Fanon dat hij, in die aanpassing, ook een deel van zichzelf kwijt was geraakt. Volgens Fanon kreeg de gekoloniseerde mens een identiteit opgelegd die zijn eigen zelfbeeld teniet deed. Het koloniale systeem had daarnaast niet alleen invloed op het hedendaagse bestaan van de gekoloniseerde, maar liet de gekoloniseerde ook achter met een verminkt verleden. De zwarte mens in het koloniale systeem werd een ‘gespleten’ mens, die zich steeds af bleef vragen wie die werkelijk was of kon zijn.
Tijdens zijn verblijf in Algerije, waar hij werkt als hoofd van een psychiatrisch ziekenhuis, breekt in 1954 de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog uit – een guerrilla-oorlog gericht op bevrijding van de Franse koloniale machthebber. Hij ziet met eigen ogen het trauma, veroorzaakt door deze extreme vorm van koloniaal geweld. De Franse troepen die zijn gestuurd om de opstand neer te slaan plegen mensenrechtenschendingen. Fanon ziet in zijn ziekenhuis patiënten van beide zijden, die zijn getraumatiseerd als gevolg van deze bloedige oorlog. In zijn werk ziet hij ook dat er veel vooroordelen bestaan over patiënten van kleur. Hij komt tot de conclusie dat hij niets kan doen behalve het omverwerpen van de bron van het geweld: het kolonialisme. Hij verlaat het ziekenhuis en vertrekt in 1956 naar Tunis, waar hij een psychiatrische kliniek opricht, de eerste in Afrika waar patiënten ook een dagbehandeling kunnen krijgen. Hij sluit zich aan bij de antikoloniale beweging en spant zich via zijn behandelingen actief in om tegenwicht te bieden aan het dehumaniserende karakter van het leven in de kolonie.
Naast zijn werk als psychiater, blijft Fanon sterk betrokken bij het dekoloniseren van Algerije en later geheel Afrika. Hij is ervan overtuigd dat een systeem dat de mens zoveel geweld heeft toegebracht, alleen met geweld aan zijn einde kan komen. Dit maakt dat de boodschap van Fanon niet overal met enthousiasme wordt ontvangen. In 1959 overleeft hij ternauwernood een aanslag op zijn leven. In die tijd staan voorstanders op van een geweldloze revolutie, Fanon daarentegen waarschuwt voor nieuwe vormen van afhankelijkheid van de oude machthebbers en ongelijkheid in de postkoloniale samenleving. Hierin heeft hij helaas gelijk gekregen: nog altijd is er sprake van ongelijkheid tussen landen met een koloniaal verleden en Europa.
Tegenwoordig is er veel aandacht voor de wisselwerking tussen het lichaam en de omgeving en wat het met een mens doet, wanneer die niet is wat men verwacht. Ook het debat rondom dekolonisatie wordt nog volop gevoerd. Nu ‘de kolonie’ als concept niet meer bestaat, groeit het bewustzijn van de effecten van de koloniale tijd. Het werk van Frantz Fanon is een manier om de erfenis van 400 jaar kolonisatie te verkennen. Terwijl veel wetenschappers zich richten op educatie, vertegenwoordiging en sociale rechtvaardigheid, had Frantz Fanon een invalshoek die nog steeds actueel is: de bevrijding van de mens in het zwarte lichaam.
Jaren na zijn overlijden publiceerde de filosoof Judith Butler over hoe overtuigingen in de maatschappij het individu kunnen beperken. Hoewel het werk van Butler zich richt op gender en zo een ander beginpunt heeft, is er een belangrijke overeenkomst. Zowel Butler als Fanon herkenden dat een systeem het gedrag van het individu beïnvloedt; een persoon verliest de vrijheid het ware zelf te uiten en past zichzelf aan aan wat de omgeving verwacht. Voor Frantz Fanon ging het om het koloniale systeem dat, om te kunnen functioneren, zwarte levens ‘geordend’ moest houden, zodat het individu, inclusief diens mogelijkheden, afhankelijk was van een ander.
Zijn oorspronkelijke benadering, gericht op bevrijding uit een alomvattend systeem, is nog steeds inspirerend, omdat hij door de ogen van een psychiater keek en dus zijn kennis van de mens gebruikte om naar de wereld te kijken. Zijn analyse over de impact van een systeem op verhoudingen in de samenleving biedt een perspectief waarmee wij kunnen proberen de wereld te begrijpen en – hopelijk – verbeteren.

Afbeelding: bell hooks. Bron: https://rosavzw.be/nl/themas/rolmodellen/feminisme-vrouwenbeweging/bell-hooks.
bell hooks is het pseudoniem van de invloedrijke Amerikaanse feministe, hoogleraar, cultuurcriticus en schrijver Gloria Jean Watkins. Ze nam de naam bell hooks over van haar overgrootmoeder, maar koos ervoor deze met kleine letters te schrijven om te benadrukken dat haar inhoudelijke boodschap belangrijker is dan het ego van de schrijver. bell hooks leverde een internationaal belangrijke bijdrage aan feministische theorieën, intersectionaliteit en onderzoek naar ras, klasse en gender. Geïnspireerd door onder andere Paulo Freire, richtte ze zich ook op de bevrijdende rol van onderwijs.
bell hooks werd geboren op 25 september 1952 in Hopkinsville, een klein, gesegregeerd stadje in de Amerikaanse staat Kentucky. Haar vader, Veodis Watkins, was conciërge en haar moeder, Rosa Bell Watkins, werkte als dienstmeisje voor witte gezinnen. Bell had vijf zussen en een broer. In haar vroege jeugd ging ze naar gesegregeerde scholen. Later maakte ze de overstap naar een gemengde school, waar de docenten en leerlingen overwegend wit waren. In 1973 studeerde ze af aan Stanford Universiteit. Daarna ging ze verder aan de Universiteit van Wisconsin-Madison en de Universiteit van Californië in Santa Cruz. In 2014 richtte ze het bell hooks Institute op, aan het Berea College in Kentucky. Ze overleed op 15 december 2021, op 69-jarige leeftijd.
Als schrijver brak ze in 1981 door met haar boek Ain’t I a Woman? Black Women and Feminism, een baanbrekend werk over de geschiedenis van de slavernij, maar vooral ook over de voortdurende ontmenselijking van zwarte vrouwen. De titel verwijst naar de historische toespraak die burgerrechtenactivist Sojourner Truth gaf in 1851. Ben ik dan geen vrouw? Truth herhaalde die vraag keer op keer om te benadrukken dat zwarte vrouwen anders gediscrimineerd worden dan zwarte mannen en witte vrouwen. Met dit boek leverde Hooks onder meer kritiek op de politiek van het verzet tegen de slavernij, waarin de mannelijke psyche centraal bleef staan in de strijd tegen racisme en op deze manier geen recht deed aan hoe klasse, ras en geslacht onlosmakelijk verbonden facetten zijn van onze identiteit.
Een van haar meest invloedrijke ideeën was die van de ‘oppositionele blik’, waarmee ze de confrontatie aanging met de ‘mannelijke blik’ en de ‘blanke blik’, die zwarte vrouwen als ‘passief’, of op andere manieren als ‘anders’ typeerde. Met haar oppositionele blik liet ze zien dat machtsverhoudingen gecodeerd zijn in hoe mensen elkaar doorgaans ervaren. Hooks riep op tot kritisch engagement met cultuur en richtte zich op representaties van ras en racisme in media, literatuur en populaire cultuur. Ze analyseerde hoe stereotypen en vooroordelen racistische ideologieën in stand houden en bijdragen aan marginalisatie.
Een andere belangrijke focus in haar werk is de betekenis van liefde binnen het feminisme. Daarbij was ze op zoek naar een begrip van liefde die vrij is van seksisme en patriarchale onderdrukking. Ze beweerde dat mannen veelal geleerd worden om de kracht van liefde te wantrouwen, terwijl vrouwen wordt geleerd om genoegen te nemen met onvervulde liefde. Met deze insteek beargumenteerde ze dat liefde niet samen kan gaan met onderdrukking. Tegelijkertijd wees ze de feministische beweging op het belang van liefde. In haar werk over liefde combineerde ze persoonlijke anekdotes over haar eigen romantische relaties met analyses van de manier waarop veelal mannelijke auteurs over liefde spreken. Ze zag liefde als een transformerende kracht die mensen in staat stelt om trauma’s te confronteren, barrières voor intimiteit te overwinnen en ruimte te creëren voor heling van individuele en collectieve pijn.
In totaal publiceerde Hooks meer dan dertig boeken en honderden artikelen. In aanvulling op Ain’t I a Woman? Black Women and Feminism zijn enkele bekende werken: Outlaw Culture: Resisting Representations (1994); Teaching to transgress: education as the practice of freedom (1994); All About Love: New Visions (2000); Feminism is for everybody: passionate politics (2000) en Writing beyond race: living theory and practice (2013). Daarnaast schreef zij kinderboeken, gaf ze veelvuldig lezingen en verscheen ze in documentaires.
Het humanisme van Bell Hooks is nauw verweven met haar kritiek op systemische onderdrukking, haar pleidooi voor sociale rechtvaardigheid en haar visie op een samenleving die gebaseerd is op liefde en gelijkwaardigheid. In haar werk herkennen we vormen van inclusief humanisme die intersectioneel is en zich diep bewust is van de dynamiek van macht, ras, gender en klasse en vooral op de onderlinge verbondenheid van alle vormen van onderdrukking. Ze stond kritisch tegenover humanisme dat de complexiteit van identiteit en onderdrukking negeerde. Ze pleitte voor humanisme dat verschillende perspectieven en ervaringen omvat. Daarbij verwelkomde ze moeilijke gesprekken in de dialoog over de menselijke conditie.

WEB du Bois in 1918. Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:WEB_DuBois_1918.jpg
De Amerikaanse wetenschapper en mensenrechtenactivist W.E.B. Du Bois maakte op meerdere manieren de weg vrij voor zwarte Amerikanen. Bijvoorbeeld door als eerste zwarte Amerikaan te promoveren aan het prestigieuze Harvard. Als socioloog en historicus experimenteerde hij met datavisualisatie om de resultaten van zijn onderzoek te delen. Hij zag in zijn onderzoek dat macht en kapitalisme de drijvende krachten zijn achter racisme en sociale ongelijkheid. Du Bois richtte zijn aandacht als burgerrechtenactivist op rechtvaardige behandeling voor zwarte Amerikanen. Hij streed voor het erkennen van het zwarte aandeel in de totstandkoming en opbouw van de Verenigde Staten.
Du Bois werd kort na de Amerikaanse Burgeroorlog in het progressieve Massachusetts in het noorden van de Verenigde Staten. Op school blonk hij uit. Du Bois ging studeren aan de zwarte universiteit Fisk University in het diepe zuiden van de Verenigde Staten. Hier maakte hij voor het eerst kennis met racisme. Tegelijk maakte hij kennis met de kracht en warmte van de zwarte gemeenschap.
Omdat hij excelleerde, kon hij studeren aan Harvard. Zijn eerder behaalde diploma bood echter geen toegang tot verder onderwijs binnen deze universiteit, Zodoende begon hij opnieuw als eerstejaars student. Hij behaalde er zijn tweede bachelorsdiploma als historicus. Een jaar later volgde zijn masterdiploma en in 1895 promoveerde hij.
In zijn studententijd studeerde hij ook een tijdje in Berlijn. Buiten Amerika ontdekte hij dat hij gewoon ‘mens’ kon zijn – ver weg van de plantage-samenleving die aan de andere kant van de oceaan nog vers in het geheugen lag.
Gedurende zijn levensloop heeft Du Bois ervaren dat hij naast de witte medemens kon staan, maar vaak ook niet. Het sterkte hem in zijn missie de wereld te verbeteren.
Een belangrijk deel van het gedachtegoed van Du Bois richtte zich op het helende effect van de zwarte cultuur. Dit werkte volgens hem bevrijdend voor de zwarte Amerikaan. De zwarte Amerikaan was juridisch gesproken bevrijd, maar kon hij werkelijk zichzelf zijn? Wat maakte dat zwarte mensen zo moesten worstelen om zich staande te houden binnen de samenleving?
Du Bois vernieuwde het sociologisch veldwerk door grote hoeveelheden data te verzamelen. Zo onderzocht hij de impact van racisme en bracht hij sociale ongelijkheid ondubbelzinnig in beeld. Hij was 32 jaar toen hij met een onderzoeksteam de resultaten van een driejarige studie presenteerde: de contouren van wat we nu ‘institutioneel racisme’ noemen. Hij voerde empirisch onderzoek uit onder 2500 huishoudens en liet de data spreken. Met een expositie tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs gaf Du Bois, met wat we nu ‘infographics’ noemen, een inkijkje in de levens van zwarte Amerikanen. Zijn innovatieve methoden en baanbrekende onderzoek, waarbij hij samenwerkte met verschillende disciplines, inspireren nog altijd.
De periode waarin Du Bois opgroeide was er een van grote sociale veranderingen – de slavernij was net afgeschaft en het land zocht een manier om te dealen met de oude verhoudingen. De Afro-Amerikaanse gemeenschap was verdeeld. Enerzijds was er het kamp dat de totale assimilatie van de vrijgemaakten voorstond. De zwarte Amerikaan kon alleen aan de samenleving meedoen met een aangenomen identiteit. Het betekende dat de zwarte Amerikaan vooral de situatie moest leren accepteren. Er was nu eenmaal een gesegregeerde samenleving en binnen die kaders kon men een bestaan opbouwen. Aan de andere kant stond Du Bois met zijn Niagara-beweging, die een ‘radicaal’ concept propageerden, namelijk volledige burgerrechten voor zwarte Amerikanen. Een eigen zwarte identiteit was ook belangrijk. Volgens Du Bois moest de zwarte Amerikaan in essentie Afrikaan kunnen zijn, met een eigen culturele ervaring. Deze eigenheid moest naast de Amerikaanse identiteit kunnen bestaan.
In 1904, nog geen veertig jaar na de afschaffing van de slavernij, waren volledige burgerrechten voor zwarten ondenkbaar. Het leidde in 1909 tot de oprichting van de NAACP: de National Association for the Advancement of Colored People. Du Bois was een van de oprichters.
Hij zou in zijn leven enorm veel publiceren over de verhoudingen tussen zwart en wit Amerika, en werd daarin steeds stelliger. Door zijn eigen inzichten, zijn periode in Berlijn en zijn veldwerk in de Verenigde Staten voelde hij zich aangetrokken tot het socialisme, om uiteindelijk op zijn 93ste lid te worden van de Communistische Partij. Een doodzonde in Amerika. Hij werd dan ook scherp in de gaten gehouden door de FBI, wat hem deed emigreren naar Ghana. Dit land ontving hem met open armen.
Een dag na zijn dood gaf Martin Luther King zijn beroemde speech in Washington. De organisatie van de protestmars voor gelijke burgerrechten laste een moment stilte in voor Du Bois, om ‘de stem die ons voor deze zaak opriep’ te gedenken.
Wat het werk van Du Bois bijzonder maakt, is dat hij als socioloog en historicus oog had voor het leven van de zwarte Amerikaan. Ook hij die in armoede opgroeit, heeft ruimte nodig zich te uiten. Voor de zwarte Amerikaan was dit bijvoorbeeld de religie, maar ook kunst. Du Bois geloofde in de noodzaak van een eigen identiteit. Eigenheid sterkt de mens. En vanuit die kracht kan men bijdragen aan de samenleving.
Met dit citaat wijst de Amerikaanse schrijver en maatschappijcriticus James Baldwin op het belang van zowel individuele als collectieve verantwoordelijkheid voor het realiseren van sociale rechtvaardigheid. In zijn literair werk en in zijn toespraken riep hij mensen op enerzijds hun eigen vooroordelen onder ogen te zien, maar anderzijds ook om systemische sociaal-politieke problemen collectief te adresseren. Baldwins humanisme is diepgeworteld in beschouwingen over racisme, onderdrukking en het streven naar rechtvaardigheid. Daarvan getuigt zijn diepgaande kritiek op racisme, maar ook op homofobie, als vormen van ontmenselijking en de invloed ervan op het psychologisch, emotioneel en spiritueel welzijn.
Als Amerikaanse romanschrijver, essayist, toneelschrijver en maatschappijcriticus heeft James Baldwin een belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd voor raciale, seksuele en sociale gelijkheid. Ten tijde van de Burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten brak hij door met zijn semiautobiografische debuutroman Go Tell it on the Mountain (1953), twee jaar later gevolgd door de essaybundel Notes of a Native Son (1955). Vele werken volgden, waarvan Giovanni’s Room (1956), Nobody Knows my Name (1961) en The Fire Next Time (1963) zijn meest bekende boeken zijn.
James Baldwin werd geboren op 2 augustus 1924 in Harlem, New York City. Hij was de oudste in een zwart, religieus en arm gezin, bestaande uit negen kinderen. In zijn jeugd ervoer hij de complexiteit van ras en sociale klasse die de centrale thema’s zouden worden in zijn latere werk. Gefrustreerd door raciale spanningen in de Verenigde Staten en zijn persoonlijke worsteling met seksuele identiteit, verhuisde hij in 1948 naar Parijs. Daar kon hij met wat meer afstand nadenken over zichzelf en de situatie in Amerika. Aan het eind van de vijftiger jaren keerde Baldwin terug naar de Verenigde Staten en streed hij samen met prominente leiders als Martin Luther King Jr. voor gelijke burgerrechten. Ook in de jaren zeventig en tachtig bleef Baldwin een invloedrijke figuur door lezingen te geven en politiek commentaar te leveren. Daarnaast doceerde hij aan verschillende universiteiten en bleef hij meedoen aan nationale debatten over racisme en ongelijkheid. Hij overleed op 1 december 1987 in Saint-Paul-de-Vence in Frankrijk en is begraven in New York City. Hoewel Baldwin zichzelf niet expliciet zag als humanist, is zijn werk dat wel. Het toont een diepe betrokkenheid bij het bevorderen van menselijke waardigheid en een vertrouwen in de kracht van mensen om sociale verandering te bewerkstelligen.
Zowel in zijn romans als in zijn essays, gaat hij in op persoonlijke ervaringen die voor vrijwel iedereen herkenbaar zijn. Gekenmerkt door diepe gevoelens van empathie en mededogen verkent hij thema’s als liefde, identiteit en lijden. In zijn werk staan de levens van zwarte mensen veelal centraal. Daarbij verdiept hij zich ook in de complexiteit van raciale identiteit en een menselijk verlangen om erbij te horen, zowel binnen zwarte gemeenschappen als in de samenleving als geheel. Zijn werk verkent de rijkdom en diversiteit in zwarte gemeenschappen en daarin benadrukt hij de intersectionaliteit van identiteit. Hij laat zien hoe verschillende mensen de wereld ervaren door de bril van ras, gender, seksuele oriëntatie en sociale klasse. Hierbij is Baldwins gebruik van dialoog opmerkelijk. De dialogen geven inzicht in hoe sociale kwesties inwerken op het dagelijks leven van de personages. Als zodanig gebruikte Baldwin literatuur als middel om sociale verandering te verbeelden.
Baldwin was tevens actief betrokken bij de Burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten. Hij nam deel aan protestmarsen en gaf toespraken, vaak samen met andere prominenten in de beweging. Hoewel hij zeer uitgesproken was over raciale onrechtvaardigheid, benadrukte hij dikwijls het belang van geweldloos verzet. Hij pleitte voor de kracht van de dialoog en het onderwijs om veranderingen te bewerkstelligen.
Door middel van zijn diepgaande inzichten in de uitdagingen waarmee gemarginaliseerde groepen te maken hebben, blijft Baldwins nalatenschap een belangrijke inspiratiebron in de strijd tegen racisme. De film I am not your Negro (2016) laat dit zien door een op Baldwins werk geïnspireerde reis door de geschiedenis. Bij zijn dood in 1987 liet Baldwin dertig pagina’s achter van een manuscript over drie van zijn vermoorde vrienden: Martin Luther King Jr., Medgar Evers en Malcolm X. In de film verbeeldt regisseur Raoul Peck het boek dat Baldwin niet heeft kunnen afmaken en verbindt hij Baldwins betrokkenheid bij de Burgerrechtenbeweging met de strijd van de Black-Lives-Matter beweging.
“Geen volk kan tot volle wasdom komen dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft”
Bijna honderd jaar na publicatie van Wij Slaven van Suriname resoneert bovenstaand citaat nog steeds bij Surinamers en Surinaamse Nederlanders. Anton de Kom gaf als eerste woorden aan de impact van het imperialisme op de geesteswereld van de gekoloniseerde mens. Als schrijver, activist en verzetsheld was Anton de Kom boven alles iemand die geloofde in radicale gelijkwaardigheid, omdat geen mens ondergeschikt zou moeten zijn aan een ander.
Anton de Kom werd op 22 februari 1898 geboren in de Pontewerfstraat in Paramaribo. De slavernij leefde in De Koms tijd nog sterk in de herinnering van Surinamers. Zijn vader was in slavernij geboren, en van zijn grootmoeder hoorde De Kom levendige verhalen over de geschiedenis van zijn volk. Het zorgde bij hem al vroeg voor een grote betrokkenheid met onderdrukten in een samenleving. In zijn boek Wij Slaven van Suriname – een bijzondere mengeling van literaire verbeelding, historische non-fictie, pamflet en memoir – schreef hij: “Beter dan in de geschiedenisboeken der blanken is de mishandeling van onze vaders opgeteekend in onze eigen harten, nooit heeft het leed der slavernij sterker tot mij gesproken dan uit de oogen van mijn grootmoeder, wanneer zij ons kinderen, voor de hut in Paramaribo, de verhalen over den ouden tijd vertelde.”
Na de mulo behaalde De Kom een diploma in boekhouden, waarna hij als assistent boekhouder kwam te werken voor de Balata Compagnie. Bij dit bedrijf was hij getuige van de ongelijke verdeling van macht en welvaart, die eigen was voor een koloniaal en kapitalistisch systeem. Balata, gebruikt om rubber mee te maken, was op dat moment een van de belangrijkste exportproducten van Suriname. De arbeiders, die balata bleeders werden genoemd, trokken voor maanden het oerwoud in om de balata te winnen. Het werk was zwaar en moeilijk, en trok een grote wissel op het leven van de werkers. Toch hielden ze er aan het eind van de rit weinig aan over. Het waren de oude kolonialen die de winst opstreken. Op dat moment werd het De Kom duidelijk dat de slavernij weliswaar was afgeschaft, maar dat de mensen – geknecht door wurgcontracten – nog steeds niet vrij waren. Hij spande zich in om de arbeiders te leren lezen en rekenen, zodat ze konden controleren of ze niet door de opzichters werden opgelicht. Na een paar jaar nam hij ontslag en vertrok hij naar Haïti, waar hij in 1920 voor een paar maanden werk vond. Daarna vertrok hij naar Curaçao. Bij gebrek aan werk stapte hij op de boot naar Nederland. Hier ontmoette hij de Haagse Petronella Borsboom, met wie hij zou trouwen en vier kinderen zou krijgen. Hij sloot zich aan bij verschillende linkse groeperingen en begon te schrijven aan het boek, waarmee hij na zijn dood beroemd zou worden: Wij slaven van Suriname.
De Kom beschreef de Surinaamse geschiedenis vanuit Surinaams perspectief. Dat was nieuw. Hij plaatse een nieuw narratief van zwarte vrijheidsstrijders tegenover het narratief van de zwarte mens als oproerstoker of opstandeling. Het was dit boek dat in heldere taal de superioriteit van de witte overheerser ter discussie stelde, en stilstond bij het gevolg daarvan voor de gekleurde mens: “Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een ras aan te kweken dan dit geschiedenisonderwijs, waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden genoemd en geprezen.”
Tijdens het schrijven vertrok De Kom met zijn gezin naar Suriname voor een bezoek aan zijn zieke moeder, die bij zijn aankomst al overleden was. Eenmaal in Paramaribo trok hij zich het onrecht aan dat met name de Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders werd aangedaan. Van zijn linkse contacten in Europa had hij het belang van organisatie geleerd. Naar dat voorbeeld opende hij een adviesbureau in zijn geboortehuis aan de Pontewerfstraat. Honderden contractarbeiders, veel van hen ongeletterd, meldden zich met hun sores over de manier waarop zij op de plantages werden behandeld. De Kom verzamelde de klachten, met de intentie om ze aan de gouverneur aan te bieden, in de hoop tot een dialoog te komen. Zo ver kwam het echter niet. De koloniale overheid, gealarmeerd door de oploop rondom De Koms adviesbureau, beschouwde De Kom als staatsgevaarlijk. Op 1 februari 1933 werd hij gearresteerd en gevangengezet in Fort Zeelandia. Een demonstratie van voornamelijk Javaanse contractarbeiders die zijn vrijlating eisten, werd bloedig neergeslagen met twee doden en 22 gewonden als gevolg. Die dag, 7 februari 1933, ging de geschiedenis in als Zwarte Dinsdag. De Kom werd drie maanden zonder proces gevangengehouden, en uiteindelijk in mei 1933, in het holst van de nacht, op een schip naar Nederland gezet. Het betekende een feitelijke verbanning van zijn geboorteland, dat hij inderdaad niet meer terug zou zien.
In Nederland werd hem het werken nagenoeg onmogelijk gemaakt, onder meer door de geheime dienst, die hem scherp in de gaten hield. Na de publicatie van Wij slaven van Suriname in 1934 kostte het hem moeite om het hoofd boven water te houden, terwijl hij een jong gezin moest onderhouden. Toen in 1940 de Duitsers het land binnenvielen, sloot De Kom zich – ondanks de gespannen verhouding die hij met Nederland onderhield – aan bij het verzet, onder meer door artikelen te schrijven voor het verzetsblad De Vonk. In augustus 1944 werd hij door Duitse soldaten gearresteerd en naar een concentratiekamp vervoerd. Hij overleed, vlak voor het einde van de oorlog, op 24 april 1945, in kamp Sandbostel. De man die altijd had gestreden voor de erkenning van de menselijkheid van de onderdrukten, had zijn leven gegeven voor Nederland en de Nederlanders.
Wij slaven van Suriname raakte na De Koms dood in de vergetelheid, tot het in de jaren zestig van de vorige eeuw opnieuw ontdekt werd door Surinaamse studenten in de bibliotheek van de Universiteit Leiden. Via goedkope roofdrukken werd het verspreid in Suriname, waar het zuurstof gaf aan een nieuw antikoloniaal zelfbewustzijn. Anton de Kom werd door Nederland lange tijd genegeerd. Het duurde tot 2022 voordat er officiële excuses werden aangeboden door de Nederlandse overheid, en de eer van deze zwarte verzetsheld, die vocht voor een betere wereld voor iedereen, werd hersteld.