
De Humanistische Canon is een initiatief van het Humanistisch verbond. Wil je ons steunen? Klik dan op onderstaande knop.
Historisch opgebouwd via vensters en werken
De Canon is historisch opgebouwd via ‘vensters’. Vensters geven een belangrijke periode of ontwikkeling in de geschiedenis van het humanisme weer en vormen de ‘ingang’ in de Canon. Deze vensters vindt u op de homepagina. U ziet linksboven de oudste periode (het venster ‘Paideia’) en rechtsonder de jongste (het venster ‘Humanisme nu’).
In ieder venster vindt u diverse ‘werken’. Dit zijn exemplarische boeken, films, strips, wetten, personen en kunstwerken binnen het venster. In het venster ‘Existentialisme’, vindt u bijvoorbeeld de werken ‘De mythe van Sisyphus’ van Camus, ‘Het existentialisme is een humanisme’ van Sartre en ‘De tweede sexe’ van De Beauvoir.
Mocht u specifiek naar iets op zoek zijn dan kunt u de zoekfunctie gebruiken, bovenaan de pagina.
De verhouding tussen humanisme en islam staat in het maatschappelijk debat weer volop in de belangstelling. De negatief-kritische stem is daarin dominant. De meeste opiniemakers en politici beschouwen de islam als een anti-humanistische religie. De islam zou namelijk lijnrecht staan tegenover humanistische waarden als rechtvaardigheid, democratie, gender en lhbti gelijkheid, autonomie en vrijheid van meningsuiting. De groei van het populisme in diverse westerse landen en de recente terroristische aanslagen in Europa hebben de verhoudingen tussen moslims en niet-moslims in het westen verslechterd. In de ogen van veel westerse burgers is de islam een gewelddadige religie die de vrijheid van moslims en anderen ontneemt. Maar klopt dat beeld wel? Is de islam anti-humanistisch en gewelddadig, en is er per definitie geen dialoog mogelijk tussen islam en humanisme? Deze vraag wordt beantwoord of en hoe dit wel mogelijk zou zijn, maar eerst wordt er dieper ingegaan op het negatieve islambeeld dat heerst in het Westen. In het bijbehorende lemma wordt het werk van drie moslimfilosofen uit de renaissance behandeld waaruit blijkt dat er wel degelijk humanistische aspecten in het islamitisch denken zitten. Kijk hiervoor rechts onder ‘Werken’ of klik op de link in de tekst.
De actuele beeldvorming over de islam is zeer negatief. De islam staat te boek als een agressieve en bedreigende religie. De Koran zou het boek zijn dat moslims aanzet tot haat jegens ‘de ongelovigen’. Maar hoe komt de beeldvorming over islam in het westen zo negatief? Allereerst kan gezocht worden in onze geschiedenis. Al sinds de middeleeuwen werd de islam in het toen christelijke westen beschreven als een gewelddadige religie. Ook werd de islam gekoppeld aan een bepaalde seksuele moraal. Toen werd de profeet van de islam verweten juist een te losse seksuele moraal te bezitten. Poorthuis en Salemink stellen in hun onderzoek naar beeldvorming van de islam dat dit ‘de eerste laag (is) van beelden die vanuit de middeleeuwen ons collectief geheugen vormt.’ De poging van de Turken om in 1683 Wenen in te nemen en de oorlog van het christelijke Europa tegen islamitische Turken die hierop volgde, hebben ook bijgedragen aan het heersend vijandsbeeld jegens de islam in het westen.
Ten tweede hebben de recente terroristische aanslagen in diverse westerse hoofdsteden het heersend beeld over de islam sterk beïnvloed. Deze terreuraanslagen waren vaak religieus gemotiveerd en hebben onder burgers het gevoel van angst voor de hele islam opgeroepen. In januari 2016 bleek uit een peiling dat driekwart van de Belgische bevolking vreesde voor een aanslag na de terreuraanslag in Brussel. Dit sterk affectieve component van angst weerspiegelt de onzekerheid die de burgers voelen met betrekking tot onbekende en oncontroleerbare risico’s van terreur in onze risicosamenleving.
Ten derde speelt de media in de negatieve beeldvorming een belangrijke rol. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat berichtgeving over islam en moslims zeer bepalend zijn voor de beeldvorming van mensen met weinig kennis over islam. Neem bijvoorbeeld de wijze waarop de media berichten over de Nederlandse moslimjongeren die deel hebben genomen aan de Islamitische Staat in Syrië en Irak. Doordat ze in hun islamitische kledij in de media verschijnen, wordt onbewust een beeld onder westerlingen bevestigd dat alle moslims die zulke kleding dragen, radicaal zijn. Of nog erger: terrorist.
En ten slotte, wordt de negatieve beeldvorming ook bevordert door de groei van het populisme dat zich voedt met de angst voor de ander, voor de islam. De islam zou niet passen in landen met joods-christelijke en humanistische tradities. Vaak wordt dan verwezen naar grove schendingen van mensenrechten in islamitische landen, zoals het afhakken van iemands handen. De islam wordt daardoor neergezet als een reële bedreiging voor het democratisch rechtssysteem in het westen (Feddema, R., e.a., 1987). Sterker nog, de islam wordt beschreven in de termen van Paul Cliteur als een gevaarlijke en minder beschaafde religie, die nog niet gemoderniseerd is.
Resultaat is dat we nu in het westen in een sterk gepolariseerde cultuur leven. Burgers hebben het gevoel dat islam een werkelijke bedreiging vormt voor de westerse democratische en seculiere staat. Het wereldbeeld van Samuel Hungtington in The Clash of Civilizations lijkt een zichzelf vervullende profetie te worden. In veel landen heerst er een sociale en irrationele angst onder westerlingen jegens islam.
Islamofobie, stereotypen en vijandsbeelden over moslims, bemoeilijken de dialoog tussen islam en humanisme. Maar klopt de beeldvorming wel en is de islam wel echt een anti-humanistische religie? Of kunnen we ook humanistische varianten in de islam vinden?
Als we terugkijken in de geschiedenis zien we een ontwikkeling van humanisme in de islam. George Makdisi benadrukt dat tijdens de klassieke islam (tussen de elfde en de dertiende eeuw), het humanisme en het scholasticismeEen combinatie van dialectische theologie en van het logische werk van met name Aristoteles. twee dominante bewegingen in de islam waren. Deze conclusie is ook getrokken door Kraemer in zijn boek Humanism in the Renaissance of Islam. Hij beschrijft hoe het filosofisch humanisme in de renaissance van de islam, en vooral tijdens de verlichte regeringsperiode van de Boejiden een andere vorm heeft gegeven aan het intellectuele erfgoed van de Griekse oudheid; namelijk als een cultureel en educatief ideaal.
Goodman, de schrijver van Islamic Humanism, heeft ook getracht aan de hand van de geschiedenis van de islamitische filosofie en ethiek om een aantal humanistische aspecten in de islam aan te wijzen. Ter illustratie van deze aspecten verwijst hij naar een bijzondere tekst van Ikhwan al-Safa (Broeders van de Zuiverheid), waarin ze hun ideale man als volgt beschrijven:
‘Persian by breeding, Arabian in faith, hanafite [thus, moderate] in his islam, Iraqi in culture, Hebrew in lore, Christian in manners, Damascene in piety, Greek in the science, Indian in the contemplation, Sufi in intimations, regal in character, masterful in thought, and divine in insight.’ (Goodman, L.E., 2003).
Goodman ziet hierin een kosmopolitische spirit (geest) die getypeerd kan worden als een ‘islamitisch humanisme.’ Dit kosmopolitisch aspect is sterk verbonden met een zeer belangrijk principe in het moderne humanisme, namelijk open staan voor andere ideeën en culturen.
Naar mijn idee komt uit de klassieke bronnen vooral naar voren dat moslimintellectuelen in de middeleeuwen zoals Ikwhan al-Safa (10e eeuw) (maar ook al-Kindi, c. 800-873, al-Razi, 867-925, al-Farabi, c. 870-951) hun heilige tekst rationeel en kritisch hebben geïnterpreteerd. Ze zijn zeer geïnspireerd door de werken van Griekse filosofen om verband te leggen tussen de sacrale tekst en de praktijken van de moslims, met name de toepassing van sociale rechtvaardigheid en het stimuleren van vrijheid van meningsuiting.
In het volgende venster wordt er kort ingezoomd op het gedachtegoed van drie andere moslimfilosofen; drie Andalusische denkers uit de renaissance: Ibn Baja (gest.1138), Ibn Tufayl (gest. 1185) en Ibn Rushd (gest. 1198). De keuze van deze drie filosofen is pragmatisch: hun denken biedt ons meer inzichten tot de humanisering van islamitische gemeenschappen vandaag de dag. Klik hier voor meer.
In de verdieping van het gedachtegoed van de drie moslimfilosofen is er mede te zien dat er duidelijke humanistische aspecten in het islamitisch denken aanwezig zijn (zoals het zelfstandig nadenken, meningsvrijheid, vriendschap), is het duidelijk dat humanisme en islam als twee aparte levensbeschouwingen op drie niveaus onderlinge confrontaties kennen.
Het eerste niveau betreft het fundamentele verschil tussen humanisme en religie. Humanisme is een ethische filosofie die gekenmerkt is door een horizontale relatie tussen mens en mens; het individu is verantwoordelijk voor zichzelf. Daarentegen is religie te beschrijven als een verticale relatie tussen mens en de bovennatuurlijke kracht. De heiligheid staat centraal in deze verhouding. Sterker nog, het humanisme in de islam is religieus en kan niet getypeerd worden als een strikt secularisme. Hierbij valt te denken aan de wijze waarop de vrije moslimfilosoof Ibn Rushd een oplossing heeft bedacht wanneer de waarheid van de koran in strijd is met de waarheid van de wetenschap. Hij vindt dat twee waarheden nooit in strijd met elkaar kunnen zijn en daarom moet de waarheid van de koran figuurlijk of allegorisch geïnterpreteerd worden.
Het tweede niveau waar humanisme en islam botsen gaat over de toepassing van vrijheid van meningsuiting als een humanistische kernwaarde. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Deense cartoons of uit de satirische beelden van het blad Charlie Hebdo. De voorstanders van die beelden pleiten voor het uitoefenen van vrijdenken zonder grenzen. Maar vanuit islamitische oogpunt worden deze beelden gezien als een belediging en een persoonlijke aanval op bijna anderhalf miljard moslims in de wereld. Dat betekent trouwens niet dat de kernwaarde van meningsvrijheid niet bestaat in islam. Maar in de wijze waarop die kernwaarde ingevuld dient te worden verschillen de twee levensbeschouwingen sterk van elkaar.
Het derde niveau heeft te maken met de interpretatie van ‘mensenrechten’ zowel in humanisme als in islam. Vanuit humanisme zijn mensenrechten het uitgangspunt en staan ze boven elke openbaring en boven elke regering. Dit bemoeilijkt de dialoog tussen humanisme en islam en creëert vijandsbeelden jegens elkaar. De botsing tussen islam en mensenrechten spitst zich vooral toe op terreinen van gelijkheid, non-discriminatie van geslacht en vrijheid van religie.
Vanuit islam zien we twee posities:
Los van de verschillende meningen over de betekenis van mensenrechten en de mooie woorden van verschillende landen, dient men kritisch na te denken over de paradoxale houding van onze moderne wereld jegens de rechten van duizenden kinderen in Syrië, Iraq, Yemen en Somalië die gesmokkeld worden; de rechten van miljoenen individuen in Afrika die verhongeren en de rechten van asielzoekers die geschonden worden.
De verschillen tussen humanisme en islam op de drie genoemde niveaus zullen weliswaar niet verdwijnen, maar we moeten er ons niet op blindstaren. Ze zijn geen excuus om niet verder te gaan met een dialoog. Zonder dialoog zullen de verhoudingen tussen moslims en niet-moslims in het westen verslechteren met negatieve gevolgen voor beiden. Zonder dialoog wordt angst voor elkaar onder burgers versterkt. En die angst kan leiden tot het creëren van een nieuwe generatie die helemaal niet meer openstaat voor dialoog en die door haat, stereotypen, vooroordelen en complottheorie wordt geïnspireerd. Vanuit onze moderne morele verantwoordelijkheid moeten we dit voorkomen.Het stoppen van de dialoog kan de betrekkingen tussen het westen en islamitische landen negatief beïnvloeden en juist mensenrechten schaden. Ook in het westen zijn de mooie woorden over mensenrechten niet altijd praktijk.
Door het bevorderen van dialoog tussen humanisme en islam zullen burgers, civiele organisaties en overheidsinstellingen hun morele verantwoordelijkheid wel moeten nemen om al die genoemde issues aan te pakken. Een dialoog betekent niet dat de ogen gesloten moeten worden. Criminaliteit en radicalisme onder moslimjongeren moeten altijd aangepakt worden, en daarin is de rol van moslims zelf en hun eigen organisaties zeer belangrijk.
Een van de belangrijkste perspectieven van de dialoog tussen humanisme en islam is het bieden van een tegenkracht tegen rechtsextremistische boodschappen en tegen jihadistische ideologie. Door het vergroten van de mentale en emotionele weerbaarheid van kwetsbare burgers (radicale moslimjongeren of populistische jongeren) is de kans groot dat islam en humanisme een weg kunnen vinden naar verbinding.
Deze tekst is een aangepaste versie van het artikel dat speciaal voor de canon is geschreven door Abdelilah Ljamai. Het origineel uit 2017 is hier te vinden en verscheen ook in Waardenwerk.
In zijn Brieven aan Lucilius, die de geest van humanitas ademen, coacht Seneca (ca. 4 v. Chr. – 65 n. Chr.) de jongeman Lucilius in de beginselen van de Stoa. De Stoïcijn mag zich niet laat leiden door emoties en zich van de wijs laten brengen door gebeurtenissen waarop hij geen invloed heeft. Het goddelijke is volgens hem eigen aan de mens en bestaat uit leven volgens de logos, de rede, en in overeenstemming met de natuur.
Lucius Annaeus Seneca was een man die probeerde te leven volgens principes, maar door omstandigheden én door eigen toedoen die principes verloochende. Hij genoot een traditionele opleiding als redenaar en filosoof. Hij maakte carrière als advocaat en politicus en werd belast met de opleiding van Nero, die in 54 na Chr. keizer werd.
De eerste vijf jaar van Nero’s bewind verliepen vrij goed. Seneca schreef een verhandeling, De clementia, Over mildheid, waarin Nero als een verstandig vorst wordt voorgesteld. Het ging echter van kwaad tot erger met Nero, met als dieptepunt de moord op zijn eigen moeder Agrippina in 59. Seneca was hierdoor zodanig gecompromitteerd dat hij in het jaar 62 besloot zich terug te trekken uit de politiek. De laatste jaren van zijn leven wijdde hij zich volledig aan de filosofie.
Nero, die waarschijnlijk wrok koesterde tegen Seneca, verdacht hem van betrokkenheid bij een complot en beval zijn dood. Seneca stierf door eigen hand, iets wat in de Oudheid als gewoon en passend voor een filosoof werd beschouwd omdat Socrates in zekere zin ook op die wijze gestorven was.
De literaire productie van Seneca is indrukwekkend in diversiteit en omvang. Hij schreef toneelstukken, natuurhistorische werken, filosofische traktaten en brieven aan zijn vriend Lucilius. In al deze werken betoont Seneca zich een aanhanger van de Stoa. Dit was samen met het Epicurisme de populairste filosofische, wij zouden zeggen levensbeschouwelijke, stroming in Rome.
De Stoa, die ontstond tijdens het Hellenisme, kenmerkt zich door een naturalistische, materialistische inslag en een praktische ethiek. De Stoïcijn moet leven in overeenstemming met de natuur, die gestuurd wordt volgens het principe van de logos, de rede. Hij mag zich niet laat leiden door emoties, maar moet zich daaraan zoveel mogelijk onttrekken. Hij moet bedenken dat er dingen gebeuren waarop hij geen invloed heeft en zich daarom niet van de wijs laten brengen. Hij moet leven in een toestand van apatheia, een soort ongenaakbaarheid voor emoties.
Seneca kende deze stelregels van de Stoa natuurlijk, maar uit zijn werken blijkt tegelijkertijd een scherp psychologisch inzicht in de rol die emoties spelen in het leven. In zijn tragedies, die heel realistisch-bloederig zijn, schetst hij harde portretten van mensen die hun emoties niet de baas kunnen. Dat hij daar zelf ook mee worstelde, blijkt uit een vilein werk dat hij schreef tegen keizer Claudius, toen deze al vermoord was, Apocolocyntosis Divini Claudii, De vergoddelijkte Claudius wordt een pompoen. En dan te bedenken dat Seneca nog kort daarvóór een lofrede op dezelfde keizer had geschreven!

Afbeelding: De dood van Seneca, door Luca Giordano, 1684
Het werk waarin Seneca op zijn best is en waarmee hij terecht beroemd is geworden, zijn de Epistulae morales ad Lucilium, Brieven aan Lucilius. Deze al dan niet echt gestuurde brieven aan zijn jonge vriend Lucilius bevatten allerlei adviezen over gewone, alledaagse dingen, zoals behoefte aan vrienden, eenzaamheid, over het blozen en het oordeel van de massa. Ze zijn geschreven in een redelijk directe, eenvoudige stijl, al probeert Seneca af en toe wat al te spitsvondig te zijn. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat Seneca in deze brieven optreedt als coach, die gevraagd en ongevraagd zijn pupil Lucilius adviezen geeft. De geest die deze brieven ademt is er een van welwillendheid en vriendelijkheid tegenover elkaar, van verfijndheid en eruditie; in één woord, van humanitas.
Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren. In brief 47 prijst Seneca Lucilius voor de manier waarop hij met zijn slaven omgaat. Dat siert hem en toont zijn wijsgerige ontwikkeling, meent Seneca. Veel mensen behandelen hun slaven onmenselijk. Ze mogen niet eens bewegen, hoesten, laat staan praten. Het is ook decadent dat mensen slaven hebben voor dingen die ze best zelf zouden kunnen doen. Verder kan iedereen, ook een vrij man, slaaf worden. Men moet met een lager geplaatste omgaan zoals men zelf door een hoger geplaatste bejegend zou willen worden. Verder is slavernij een relatief begrip. Ook iemand die formeel geen slaaf is, kan slaaf zijn van zijn ambitie, zijn wellust of zijn angst. Lucilius doet er goed aan te voorkomen dat zijn slaven bang voor hem zijn, want alleen dan zullen zij hem waarderen.
Uit deze brief spreekt een opvatting van gelijkheid die in de Oudheid ongekend was. Slavernij was een niet weg te denken instituut. Seneca, zelf een voormalige bevrijde slaaf, wil de slavernij ook niet afschaffen, maar de lezer doordringen van het feit dat er geen principieel verschil is tussen een slaaf en een vrije. Hij toont in deze brief een sterk gevoel van empathie en inlevingsvermogen. Dat was in de Oudheid allesbehalve vanzelfsprekend, maar maakte wél deel uit van humanitas.
In brief 41 spreekt Seneca over het goddelijke in de mens, maar hij doet dat door middel van een beeldspraak die ontleend is aan de natuur. Lucilius hoeft de goden niet aan te roepen, maar moet een beroep doen op een goddelijk beginsel in zichzelf, dat voortvloeit uit de natuur. Wanneer hij een wonderbaarlijk schouwspel in de natuur ziet of een mens die zich niet laat leiden door angst en die onverschrokken is, dan moet Lucilius daarin de manifestatie van het goddelijke zien. Hij moet zich realiseren dat het bijzondere in een mens afkomstig is van het goddelijke. Maar dat goddelijke bepaalt ook het meest eigene aan de mens, namelijk te leven volgens de rede en in overeenstemming met de natuur. Seneca’s godsbegrip in deze brief is materialistisch en heeft geen menselijke gedaante. Het goddelijke is namelijk synoniem met de natuur en niet met de mens en met menselijke eigenschappen.
Het moderne, twintigste eeuwse humanisme kan alleen begrepen worden als we vertrekken vanuit de belangrijkste betekenissen van het humanisme in de loop der eeuwen. Kenmerkend is ten eerste dat het een open, dialogische en inclusieve levensbeschouwing is die niet alleen buiten, maar ook binnen religies wordt aangetroffen. Het gelijkheidsbeginsel is de tweede centrale humanistische gedachte.

Het humanisme uit de 20e eeuw is een ongodsdienstige levensbeschouwing die put uit een rijke traditie. In de Renaissance van de 15e en 16e eeuw ontstond in de Europese talen de aanduiding humanist(e). Een humanist(e) was iemand die ernaar streefde om van het leven iets moois te maken door niet alleen in navolging van de Christus goed te leven, maar zich ook te laten inspireren en vormen door de geschiedenis, letterkunde en moraalfilosofie van de oude Grieken en Romeinen. Belangrijke Renaissance-humanisten waren Petrarca, Erasmus en Dirck Volkertsz. Coornhert. Historisch besef, een dialogische, open, verdraagzame en pragmatische houding en een afkeer van alomvattende gedachtesystemen waren belangrijke vruchten van dit humanisme.
In de Verlichting, de lange 18e eeuw, kwamen Bijbel, oude geschriften en traditie als toetssteen voor waarheid en humaniteit ter discussie te staan. De menselijke rede en ervaring namen die kritische rol steeds meer over. Veel christenen en joden begonnen vrij te denken en ook hun geloof nadrukkelijk van bijgeloof te ontdoen. Ze streefden naar een zo redelijk mogelijke godsdienst. Baruch de Spinoza geldt als een van de belangrijkste voorlopers. Belangrijke Verlichtingsdenkers waren verder bijvoorbeeld John Locke (zie hier en hier), Immanuel Kant, Voltaire, Denis Diderot, David Hume en Gotthold Lessing.
Het streven naar een redelijke godsdienst zou zich op twee manieren verder ontwikkelen. Enerzijds leidde het tot moderne, liberale, vrijzinnige en humanistische vormen van godsdienst. Anderzijds leidde het vooral na ongeveer 1860 tot groepen, organisaties en bewegingen van mensen die godsdienst niet meer als redelijk konden ervaren en modern humanisme gingen profileren als ongodsdienstige levensbeschouwing.
Deze historische achtergrond zie je terug in de twee centrale gedachten van het moderne, 20e eeuwse humanisme. Een van de meest centrale gedachten is: iedere levensbeschouwelijke positie, ook een godsdienstige, is en blijft contextgebonden mensenwerk. De Nederlandse protestantse theoloog Harry Kuitert (1924) drukt het mooi uit als hij schrijft:
‘Menselijke uitspraken worden niet méér waar als iemand zegt dat ze op openbaring berusten. Alle spreken over boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt. Ieder levensbeschouwelijk standpunt is van mensen afkomstig en kan met recht door andere mensen kritisch worden beoordeeld.’ (Zonder geloof vaart niemand wel, p.28)
De veronderstelde tegenstelling tussen godsdienst en wetenschap en de gedachte van een wetenschappelijke levensbeschouwing heeft de opvattingen over humanisme vanaf de 19e eeuw sterk beïnvloed. Met de bekende wetenschapsfilosoof en humanist Karl Popper ben ik van mening dat we niet moeten denken in termen van een tweedeling tussen wetenschappelijke kennis en onzin, maar van een driedeling. Zo kun je onderscheid maken tussen:
Eind 19e en begin 20e eeuw werd door veel vrijdenkers en humanisten de tweedeling gehanteerd, waarbij godsdienst gold als een van de belangrijkste voorbeelden van onzin. De meeste wetenschapstheoretici gaan tegenwoordig van de driedeling uit.
Levensbeschouwingen zijn geen onzin maar ze kunnen niet wetenschappelijk bewezen of weerlegd worden. Uiteraard is het verstandig als mensen in hun levensbeschouwing rekening houden met de resultaten van de wetenschappen, maar levensbeschouwingen gaan in hun uitspraken altijd verder dan wetenschappelijk verantwoord is. Wetenschap, hoe hoog ook geschat door humanisten, kan meestal niet de antwoorden leveren op existentiële vragen, laat staan onfeilbare antwoorden.
Een levensbeschouwing is een zingevingskader dat mensen helpt zin aan hun leven te geven in de wereld en de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Die wereld en omstandigheden veranderen voortdurend. Mensen passen zich volgens de humanistische filosoof John Dewey in hun werkelijkheidsinterpretatie en hun normen, waarden en idealen aan aan de omgeving (zingeving). Ook passen ze hun natuurlijke en sociale omgeving aan aan hun verwachtingen, behoeften, wensen en idealen (humanisering). Het gaat er in een levensbeschouwing om een goed verhaal te vinden waarin zingeving en humanisering beide tot hun recht komen.
Levensbeschouwingen zijn menselijke producten en veranderen voortdurend, zelfs als dat ontkend wordt. Veel gelovigen houden uit overtuiging rekening met de resultaten van de wetenschap en passen hun levensbeschouwing voortdurend aan. In een dergelijke context is het zinvol om te spreken over inclusief humanisme. Humanisme wordt dan opgevat als een open, dialogische en verdraagzame levensbeschouwing die inhoudelijk niet alleen te vinden is buiten godsdiensten en religies, maar ook daarbinnen. Dat betekent dat grote aantallen christenen, joden, moslims, boeddhisten en hindoes geen humanist zijn, maar veel andere christenen, joden, moslims, etc., wel. Het hangt er vanaf hoe begrippen als God, openbaring, spirituele energie, Zelf en reïncarnatie door mensen worden geïnterpreteerd en ingezet.
Een tweede centrale humanistische gedachte is: alle mensen horen elkaar als gelijken te zien en te behandelen. Dit beginsel heeft te maken met de gedachte dat niemand in een betere positie is dan jijzelf om te bepalen hoe jij leven moet. Die vrijheid en verlegenheid geldt voor iedereen. Niemand heeft het recht iemand anders de regie over zijn of haar leven af te pakken.
Dit gelijkheidsbeginsel heeft ook te maken met andere kenmerken van modern humanisme: de bereidheid tot dialoog en compromis; erkenning van twijfel en feilbaarheid; openheid, waardering voor diversiteit; de keuze voor democratie en voor de scheiding van kerk en staat; rechtvaardigheid en mensenrechten. Humanisme is principieel in strijd met alle vormen van discriminatie: het verschillend behandelen van mensen op irrelevante en onaanvaardbare gronden.
In de loop van de negentiende eeuw ontstonden steeds meer sociale bewegingen: groeperingen die streefden naar maatschappelijke veranderingen en humanisering. De voor humanisten zo belangrijke menselijke waardigheid werd verbreed van de voornamelijk blanke man naar alle individuen.

Wilhelmina Drucker, pionierster voor vrouwenrechten, wordt in 1917 ter gelegenheid van haar zeventigste verjaardag geportretteerd door Truus Claes.
De eerste sociale groeperingen waren de afschaffers die streden voor één specifieke verandering, bijvoorbeeld afschaffing van de slavernij in de koloniën of van het gebruik van sterke drank. Later volgden emancipatiebewegingen als de arbeidersbeweging en de vrouwenbeweging. Ze voerden actie voor een algehele verbetering van de maatschappelijke positie van respectievelijk arbeiders en vrouwen.
Het ging om allerlei sociale hervormingen, zoals het verbod van kinderarbeid, invoering van de leerplicht, beperking van de arbeidstijd van volwassenen en bescherming tegen ongezond en gevaarlijk werk. Ook kan gedacht worden aan verbetering van de woonomstandigheden van arbeidersgezinnen en van de volksgezondheid in het algemeen, en de invoering van een minimumloon en van een stelsel van sociale verzekeringen tegen de gevolgen van ziekte en ouderdom. Een van de grondleggers van de arbeidersbeweging was Karl Marx (1818-1883). Lees meer over hem bij Parijse Manuscripten.
De vrouwenbeweging bepleitte onder meer verbetering van het meisjesonderwijs. Meisjesonderwijs bevordert immers de mogelijkheden voor vrouwen om met betaald werk in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Ook werd een verandering van de heersende seksuele moraal bepleit. Men wilde niet dat buitenhuwelijkse seks aan mannen was toegestaan terwijl die voor vrouwen streng verboden was. Daarbij streefde de vrouwenbeweging voor een verbetering van de juridische positie van ongehuwde moeders en van gehuwde vrouwen. Een van de beroemdste Nederlandse voorvechters van de vrouwenbeweging was Aletta Jacobs (1854 – 1929). Zie ook De Tweede Sekse van Simone De Beauvoir (1908 – 1986).
Zowel de arbeiders- als de vrouwenbeweging zagen de uitbreiding van het kiesrecht steeds meer als een belangrijk instrument om de gewenste hervormingen te bewerkstelligen. Voor de arbeidersbeweging was de uitbreiding van het kiesrecht tot alle volwassen mannen een prioriteit. De vrouwenbeweging legde de nadruk op het wegnemen van de belemmeringen van het kiesrecht voor vrouwen.
Gevolg van dit alles was dat het voor het humanisme zo belangrijke begrip individu (of mens en burger) niet meer – zoals sinds de introductie ervan in de achttiende eeuw steeds was gebeurd – als vanzelfsprekend kon worden ingevuld met de kenmerken van een westerse blanke man met goede positie en het bijbehorende niveau van intellectuele ontwikkeling. Moest niet iedereen aanspraak kunnen maken op de benaming individu met alles wat daarbij hoort aan rechten en aspiraties? Dus ook inwoners van de koloniën, gehuwde en ongehuwde vrouwen, en mannen die in loondienst moesten werken of een laag inkomen hadden? Humanisering als een politiek en moreel streven, geldt met andere woorden voor iedereen, ongeacht achtergrond, sekse, opleiding en ontwikkeling.
In 1632 wordt de ‘vader van de mensenrechten’ John Locke geboren. Hij realiseert zich dat de tijd van de dominantie van een bepaalde godsdienst voorbij is. De diversiteit van levensbeschouwingen zou een blijvend kenmerk worden van de nieuwe tijd. Een visie op de inrichting van een moderne samenleving moet dan ook aanvaardbaar zijn voor mensen van verschillende levensovertuigingen. Zo’n visie zou moeten uitgaan van de menselijke individualiteit en gelijkheid. Net als zijn tijdgenoot Thomas Hobbes, heeft Locke het katholieke, collectivistische en op natuurlijke ongelijkheid gebaseerde mensbeeld van de Middeleeuwen achter zich gelaten.

Eleanor Roosevelt met de ‘Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens’, 1949
Locke kwam ter wereld in een rumoerige tijd; de tijd van de Europese godsdienstoorlogen tussen protestanten en katholieken. Hij had zich heel duidelijk voorstander betoond van tolerantie en een scheiding tussen kerk en staat. Dat kwam hem niet op de vriendschap van de koning te staan en hij besloot naar het tolerante Holland te vertrekken, dat een stimulerend klimaat bood.
Locke betoogde dat mensen van nature bepaalde rechten hebben, te weten rechten op leven, vrijheid en goederen. Van anderen mag verwacht
worden dat zij die rechten respecteren. Mensen zijn echter geen engelen maar eindige en beperkte wezens. Daarom is het goed dat er een overheid is die kan zorgen dat mensen zich aan hun morele verplichtingen houden. Maar die overheid moet natuurlijk ook zélf de natuurlijke rechten van mensen respecteren.
Het idee van rechten die mensen van nature hebben, dat wil zeggen, op grond van hun mens-zijn in plaats van toegekend door een overheid, sloeg aan. Die rechten werden gezien als een moraal die voor mensen met verschillende levensovertuigingen aanvaardbaar zijn. Het idee van natuurlijke rechten heeft een voorgeschiedenis.
Het was de tijd van het kapitalisme in wording. De Industriële Revolutie was op komst. De handel neemt een grote vlucht, de verstedelijking veroorzaakten een breuk met de agrarische samenleving waar mensen leefden binnen grootfamilies. In die sfeer groeide een nieuwe visie op de mens. Mensen worden steeds meer gezien als autonome individuen, die een ambivalente verhouding met de Staat hebben. Enerzijds staat het individu tegenover de Staat en moet de privé-sfeer worden beschermd, anderzijds is het juist de Staat die het individu moet beschermen tegen de aantasting van diens rechten door anderen.
Afbeelding: Eleanor Roosevelt met de ‘Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens’, 1949
Het idee van natuurlijke rechten bleef niet beperkt tot de schrijfsels van filosofen, maar werd opgenomen in juridische documenten. Het leidde tot de Bill of Rights in Engeland. De geest van de tijd leidde ook in Frankrijk tot nieuwe inzichten. Charles de Montesquieu (1689-1755) ontwikkelde de idee van de scheiding der machten. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) ontwikkelde de leer van de volkssoevereiniteit. De ideeën van Locke, Montesquieu en Rousseau hadden veel invloed op de Franse Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (1789).
Met de Britse en andere Europese migranten naar Amerika gingen ook Europese ideeën de oceaan over. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 bevat passages die erg doen denken aan John Locke. En, de Amerikaanse Grondwet van 1787 en de daaraan gehechte Bill of Rights van 1791 ademen de geest van Locke, Rousseau en Montesquieu.
Mensenrechten ook vrouwenrechtenGelijkheid betekende voor velen in die tijd gelijkheid tussen mannen. Niet voor Olympe de Gouges, pseudoniem van Marie Gouze (1748-1793). Gelijkheid strekt zich bij haar ook uit tot gelijkheid van mannen en vrouwen en gelijkheid van wit en zwart. Niet lang na de opstelling van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger stelt zij in 1791 de Verklaring van de Rechten van de Vrouw en de Burgeres op.
Haar radicaal streven naar gelijkheid en verzet tegen onrecht levert haar veel vijanden op. Ook zij wordt slachtoffer van La Terreur, het schrikbewind van Robespierre. In 1793 wordt ze onthoofd. Zij wordt gezien als voorbeeld en boegbeeld voor de vrouwenbeweging. In Engeland schrijft Mary Wollstonecraft (1759 – 1797) A Vindication of the rights of Woman (1792) waarin ze net als Gouges voor vrouwenrechten pleit.
Afbeelding: Exécution d’Olympe de Gouges, Mettais (1793)
De natuurlijke rechten werden in de grondwetten van vele landen opgenomen. De term natuurlijke rechten raakte op de achtergrond en de fundamentele rechten in de grondwetten werden voortaan ‘grondrechten’ genoemd. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond de gedachte dat fundamentele rechten internationaal zouden moeten worden erkend en beschermd. De verschrikkelijke schendingen van de menselijke waardigheid gedurende die oorlog mochten nooit meer plaats vinden. In 1948 werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
De UVRM is gevolgd door talloze verklaringen en verdragen vanwege de Verenigde Naties, o.a. het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Ook zijn er regionale documenten op het terrein van mensenrechten, zoals in Europa het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden, dat bindend is voor 47 Europese staten (niet voor Wit-Rusland). De Europese Unie heeft sinds enkele jaren haar eigen Handvest betreffende Fundamentele Rechten van de Europese Unie.
Humanisten zijn enthousiaste aanhangers van deze seculiere moraal van mensenrechten en willen zich inzetten voor de realisering van mensenrechten, die helaas nog op grote schaal worden geschonden. Dit moet niet zo worden geïnterpreteerd dat mensenrechten iets exclusiefs humanistisch zou zijn. De seculiere moraal van mensenrechten is geen levensbeschouwing op zichzelf, geen alternatief voor humanisme of religies.
Deze seculiere moraal zegt niets over de zin van het leven, het bevat geen antwoord op de vraag hoe het leven geleefd dient te worden. Het is geen moraal van het goede leven maar van een rechtvaardige samenleving. Deze seculiere, publieke moraal van mensenrechten wil niet, en moet niet, een moraal zijn die levensovertuigingen uitsluit of negeert, maar een levende moraal die gedragen wordt door mensen van verschillende levensovertuigingen. We hebben een seculiere, voor allen geldende, moraal nodig in deze geglobaliseerde wereld, ten behoeve van de menselijke waardigheid.