
De Humanistische Canon is een initiatief van het Humanistisch verbond. Wil je ons steunen? Klik dan op onderstaande knop.
Historisch opgebouwd via vensters en werken
De Canon is historisch opgebouwd via ‘vensters’. Vensters geven een belangrijke periode of ontwikkeling in de geschiedenis van het humanisme weer en vormen de ‘ingang’ in de Canon. Deze vensters vindt u op de homepagina. U ziet linksboven de oudste periode (het venster ‘Paideia’) en rechtsonder de jongste (het venster ‘Humanisme nu’).
In ieder venster vindt u diverse ‘werken’. Dit zijn exemplarische boeken, films, strips, wetten, personen en kunstwerken binnen het venster. In het venster ‘Existentialisme’, vindt u bijvoorbeeld de werken ‘De mythe van Sisyphus’ van Camus, ‘Het existentialisme is een humanisme’ van Sartre en ‘De tweede sexe’ van De Beauvoir.
Mocht u specifiek naar iets op zoek zijn dan kunt u de zoekfunctie gebruiken, bovenaan de pagina.
Giordano Bruno was priester, schrijver, satiricus, wetenschapper en vrijdenker die in 1548 werd geboren in Nola (in de buurt van Napels, Italië). Na een proces van ongeveer acht jaar, wordt hij in 1600 in Rome door de rooms-katholieke kerk op de brandstapel gebracht. Zijn boeken wijken op teveel terreinen af van de officiële leer. Ze worden dan ook door Rome op de ‘Lijst van verboden boeken’ (de ‘index’) gezet. Ruim tien jaar geleden bood de Kerk excuses aan voor de moord op Bruno. Rehabilitatie volgt echter niet; zijn leer blijft ketters.

Als Bruno dertien is gaat hij naar de kloosterschool van de Dominicanen. Deze orde heeft – onder meer vanwege steun aan de Inquisitie – faam verworven die misschien nog het beste kan worden weergegeven door de middeleeuwse woordspeling Domini canes; ‘de honden van de Heer’. Later treedt Bruno uit de Orde en verblijft enige tijd bij de Calvinisten in Genève, maar ook deze verstoten hem wegens ketterij. In 1572 word Bruno gewijd tot priester.
Afbeelding: Standbeeld Bruno in Rome
Als pantheïst met een wetenschappelijke interesse meent Bruno dat alle materie bezield is, van het kleinste plantje tot de hele kosmos. Hierbij neemt hij een min of meer materialistische houding aan; de geest zit ín de materie en ín de natuur (zie voor deze positie ook mensen als Spinoza en Hegel). God en natuur zijn dus niet te scheiden van elkaar. Volgens Bruno is de zon niet meer of minder dan een ster en zijn sterren op hun beurt gewoon zonnen. Anders dan de Kerk meent Bruno dat het heelal oneindig is en er niet nog een extra oneindig principe – namelijk god – naast het heelal bestaat. God staat niet naast, maar ín de wereld. In een persoonlijke god gelooft hij niet, en al evenmin in de lichamelijke verschijning van zijn zoon Jezus op aarde. Bruno verdedigt zijn positie met de bewering dat zijn ‘wetenschappelijke’ aanpak niet in strijd is met de bijbel.
Maar zijn ideeën gaan veel te ver voor de toen al niet meer almachtige Moederkerk, die geteisterd wordt door reformatie, humanisme, wetenschap en ketterij. De Inquisitie voert een terreurbewind om te redden wat er te redden valt. In reactie op het horen van de doodstraf, zei Bruno dan ook:
“Misschien spreken jullie, mijn rechters, dit vonnis met meer angst uit dan waarmee ik het onderga.”

Wat precies de doorslag heeft gegeven in zijn veroordeling is niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk is de optelsom van zijn ideeën voldoende bedreigend voor de officiële leer. Hoeveel mensen tijdens de Inquisitie zijn vermoord is onbekend, maar hun aantal loopt waarschijnlijk in de miljoenen. Op 17 februari 1600 wordt Bruno op de brandstapel gezet. Een ijzeren pen door zijn mond en tong brengt hem tot zwijgen.
Afbeelding: Verfilming leven Bruno (1973)
Helemaal vergeten is Bruno niet. In Berlijn onthult de Giordano Bruno Stiftung in 2008 – samen met andere humanistische en vrijdenkersorganisaties – een monument voor de denker. Jaren daarvoor al werd in Helmstedt een gedenksteen voor hem geplaatst en op de maan is een krater naar hem vernoemd. Het meest bekend is zijn standbeeld in Rome. In 1889 wordt het op de plaats van de moord (het plein Campo de Fiori, Plein der bloemen) opgericht. Bruno staat met zijn gezicht gericht naar het Vaticaan. Dit wordt de initiatiefnemers niet in dank afgenomen en de paus tekent protest aan.
De gedenktekens van de Inquisitie manen ons waakzaam te blijven tegen geloofsterreur, zodat Bruno’s standvastigheid en brandoffer (in het Grieks holocaust) niet voor niets zijn geweest. Want hoewel de rooms-katholieke kerk in het jaar 2000 min of meer verontschuldigingen aanbiedt voor de moord op Bruno, wordt hij niet gerehabiliteerd. Zijn opvattingen blijven immers in strijd met de Rooms Katholieke Leer. Waarvan acte.
Galileo Galilei bracht in de 17e eeuw een volledige omwenteling teweeg in ons beeld van de wereld en de kosmos. Net als Copernicus verdedigde hij de stelling dat de aarde om de zon draait en niet andersom, zoals tot dan toe werd aangenomen. Hij kwam niet alleen in conflict met de wetenschappelijke wereld maar ook met de kerk. Nu wordt hij gezien als één van de grootste wetenschappers aller tijden.

Het geocentrische wereldbeeld van Ptolemaios en Aristoteles: de aarde in het midden.
Niemand dan ze wiskundige en filosoof Galilei heeft meer bijgedragen aan de omwenteling in het denken over de natuur en aan de moderne natuurwetenschap in de 17e eeuw. Tweeduizend jaar lang was de natuurkunde een bezigheid geweest van filosofen. De wereld werd in één grote interpreterende greep genomen op basis van onze dagelijkse ervaring en ons gezonde verstand. De samenhang tussen afzonderlijke verschijnselen bracht men vooral verbaal tot uitdrukking. Galilei was de eerste die zich consequent richt op partjes van de wereld. Hij kwam deze partjes op het spoor met behulp van instrumenten en wilde deze zo exact mogelijk uitdrukken. Wat hij aantrof, ging vaak in tegen onze intuïties.
Het best uitgewerkte voorbeeld van deze nieuwe benadering staat in Galilei’s wetenschappelijke meesterwerk en laatste boek, de Discorsi e Dimostrazioni Matematiche, intorno a due nuove scienze, Gesprekken en wiskundige bewijzen over twee nieuwe wetenschappen. Hij schreef het terwijl hij onder huisarrest stond en smokkelde het naar Nederland, waar het in 1638 werd uitgegeven. Hoe komt het eigenlijk, dat een voorwerp dat naar beneden valt, steeds sneller valt? Een simpele vraag. Aristoteles meende dat de snelheid van een val afhangt van de zwaarte van het vallende object. Hoe zwaarder het object, hoe sneller de val.
Galilei ging het onderzoeken en merkte dat wanneer een voorwerp verticaal naar beneden valt, het niet zomaar sneller en sneller valt zoals iedereen kan waarnemen. De snelheid groeit juist steeds weer met gelijke porties aan. Alles valt in wezen even snel. In de dagelijkse werkelijkheid is dat niet zo, maar wel in een vacuüm. Een natuurwet dus, die niet klopt met onze intuïtie en pas ontdekt kan worden met de juiste instrumenten en berekeningen.
Op de achtergrond van deze vroege natuurwet stond Galilei’s radicaal nieuwe gedachte dat een bewegend object de neiging heeft in die beweging te volharden. De zwaarte van het object maakt niets uit. Ook dat is anders dan we in werkelijkheid waarnemen. Een kar die ik wegduw komt al gauw nadat ik hem heb losgelaten tot stilstand. Alleen in een abstracte wereld van wiskundige logica waar alle storende omstandigheden uit zijn weggefilterd, blijft een voorwerp alsmaar door bewegen. Dat de val niets te maken heeft met de zwaarte van het voorwerp op het moment dat we storende omstandigheden wegnemen, werd inzichtelijk gemaakt door de NASA ruimtevaartmissie Apollo XV in 1971, waar men op de maan een hamer en een veer liet vallen. De consequenties van deze inzichten mochten er wezen. Ze boden het uitzicht op een nieuw, tegen-intuïtief soort natuurwetenschap, met de wiskunde als taal en het experiment als toetssteen.
Afbeelding: Galilei voor de Inquisitie in het Vaticaan, door Joseph-Nicolas Robert-Fleury (1847)
Galilei’s nieuwe denken bracht hem tot de destijds radicale overtuiging dat de aarde niet stilstaat maar als één van de planeten om de zon draait en bovendien in een etmaal om haar eigen as wentelt. Sinds Aristoteles dacht men daarentegen dat de aarde het middelpunt van het heelal was.
Copernicus had die radicale gedachte ruim een halve eeuw eerder naar voren gebracht en astronomisch-technisch uitgewerkt. Vóór het begin van de 17e eeuw geloofde maar een tiental personen deze theorie. Er waren immers talloze bezwaren die later onjuist bleken. Galilei was één van degenen die Copernicus geloofde. Met behulp van zijn nieuwe idee van beweging wist hij een hele reeks van de bezwaren tegen Copernicus te weerleggen. Hij deed dat in zijn andere meesterwerk, de Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, Dialoog over de twee grote wereldsystemen (1632). Het werk heeft de vorm van een dialoog tussen Copernicus en Ptolemaios (zie ook onder Copernicus). Ptolemaios was een astroloog uit de Griekse Oudheid die net als Aristoteles meende dat de aarde het middelpunt van ons zonnestelsel was. Copernicus beweerde daarentegen dat dat de zon moest zijn.
Het heliocentrisch wereldbeeld van Copernicus en Galilei: de zon in het midden
In het briljant geschreven pleidooi ten gunste van Copernicus maakte Galilei gloedvol gebruik van een reeks waarnemingen die hij in 1609 aan de sterrenhemel had gedaan met een toen geheel nieuw instrument, de telescoop. Daarmee zag hij bijvoorbeeld dat Jupiter een aantal manen had die in een baan om hun planeet draaiden. Hoe kan Jupiter eigen manen hebben, als alles om de aarde draait?
De Dialogo leidde tot een geheel uit de hand gelopen conflict met de katholieke kerk. De kerk zette het op de Index, de lijst van verboden boeken. Galilei was zelf katholiek. Zijn campagne ten gunste van Copernicus was juist mede bedoeld om zijn moederkerk te beschermen. Als de kerk een wetenschappelijk onhoudbaar standpunt bleef innemen, zou ze zich onsterfelijk blameren. Weliswaar is Galilei door de Inquisitie nooit gefolterd, maar hij is wel met succes verbaal onder forse druk gezet om zijn Copernicaanse overtuiging af te zweren. Ook heeft hij nooit, zoals vaak wordt beweerd, meteen na afloop van het proces gezegd Eppur si muove, En toch beweegt ze – namelijk de aarde. Maar de verhoudingen waren flink verstoord.
Tussen Galilei en de kerk deed zich een vijftienjarige escalatie voor. Beide partijen hebben hieraan bijgedragen met een opvallend gebrek aan behoedzaamheid. Hoewel de Paus in 1992 zijn excuses aanbood voor de behandeling van Galilei, heeft het de verhouding meteen grondig bedorven tussen de natuurwetenschap en een religie die zich op de letterlijkheid van Gods woord richt.
Sir Francis Bacon was een eminent vertegenwoordiger van het nieuwe wetenschappelijke denken. Hij was ervan overtuigd dat wetenschap en technologie de mensheid vooruit zouden helpen en was een van de eerste vooruitgangsdenkers. In zijn zoektocht naar zuivere kennis hechtte hij groot belang aan zintuiglijke waarnemingen. Bevrijd van autoriteiten en traditie, verzette hij zich krachtig tegen dwalingen en vooroordelen.

Bacon heeft zowel een politieke als een wetenschappelijke carrière gekend. Na zijn studie in Cambridge probeerde hij, in de traditie van zijn familie, een politieke carrière op te bouwen. Met succes. Hij komt in het Engelse parlement en klimt op tot het hoogste ambt in het land, dat van Lord Chancelor, Eerste Minister. In 1621 wordt hij echter veroordeeld vanwege het aannemen van steekpenningen en besluit hij zich bezig te houden met de inhoud en organisatie van de moderne, experimentele wetenschappen en filosofie.
Zijn bekendheid geniet Bacon dankzij zijn rol als vernieuwer van de wetenschap met de inductieve methode en de nadruk op experimenteren. Met de inductieve methode wordt bedoeld dat je op basis van zintuiglijke waarnemingen ideeën over de wereld vormt. Volgens Bacon moet men beginnen met het zichtbare feit, niet met een bedacht idee. Ook intuïtie en aangevoelde waarheden zijn niet toegestaan. Om de juiste methode te vinden zijn twee stappen nodig: de zuivering van het verstand van alle vooroordelen en overgeleverde dwalingen en vervolgens de toepassing van de correcte methode van denken en onderzoeken.
In de utopische roman New Atlantis (1624) heeft Bacon een poging gedaan om de nieuwe wetenschappen, nationaal en internationaal, op een juiste manier te organiseren. Hij was van mening dat de staat door wetenschappers bestuurd diende te worden. De moderne wetenschap brengt de mens uiteindelijk vooruitgang. De bekende uitspraak ‘Scientia potentia est’, ‘Kennis is macht’ is van Bacon afkomstig.
In zijn Essays (1579) en The Proficience and Advancement of Learning (1605) kwam duidelijk tot uiting dat Bacon een aanhanger was van het idee van een dubbele waarheid, van de islamitische filosoof Averroës (1126 – 1198). Er bestaat een waarheid van de rede en een waarheid van het geloof. Bacon wijdde zich aan de filosofie en de moderne wetenschappen, de waarheid van de rede.
Afbeelding: Titelpagina van het voorwoord van Novum Organum met de tekst ‘Multi pertransibunt et augebitur scientia’, ‘Velen zullen hier door gaan en onze kennis zal groeien’. Het schip vaart door de Pilaren van Hercules. Volgens Plato lag Atlantis achter deze pilaren.
Een nieuwe wetenschap betekent ook een nieuwe vorm van leren. In The Proficience and the Advancement of Learning onderscheidt Bacon drie gangbare fouten van het denken en van het ‘ouderwetse’ leren. Zo is er de pseudo-wetenschap, de nergens op gebaseerde kennis van charlatans die vooral onkritische volgelingen zoeken. Bacon geeft aan dat hier twee fouten in het spel zijn: het oplichten en het graag opgelicht willen worden. In zijn tijd betrof het zaken als alchemie, vormen van magie en astrologie.
Verder was er de fout van het haarkloven, het debatteren om het debat in plaats van het verkrijgen van nieuwe kennis. In de middeleeuwse scholastiek bijvoorbeeld, kon men zich tot in den treure bezig houden met disputen die weinig praktisch van aard waren, zoals de vraag of Jezus ooit gelachen had en de vraag of hij aan drie of vier spijkers aan het kruis hing.
Daarnaast was er de fout van het decadente humanistische leren. Daarmee doelde Bacon op de van Cicero bekende aandacht voor stijl en vorm. Inhoud is belangrijker dan vorm, vond Bacon. Wetenschap moet het leven in praktische zin beter maken en niet zomaar als plezierig tijdverdrijf worden uitgeoefend. Mooischrijverij is verspilling van talent.
Naast de drie fouten van het leren, staat Bacon vooral bekend vanwege de opsomming van vier Idols in zijn Novum Organum, Het nieuwe werktuig (1620). Idols zijn dwalingen, vooroordelen en drogredeneringen.
Vandaag de dag wordt Bacon onder meer bekritiseerd vanwege zijn perspectief op de natuur. De natuur staat in zijn denken ten dienste van de mens en de mens moet er alles aan doen zijn macht over de natuur te vergroten. De Amerikaanse historicus Peter Gay schrijft in The Enlightenment:
‘Het waren Bacon en Descartes die braken met het historisch fatalisme, dat wil zeggen, zij accepteerden niet langer dat de natuur de mens beheerste maar stelden dat de mens met behulp van de wetenschap heerste over de natuur.’
Veel hedendaagse humanisten nemen afstand van dit idee en benadrukken de eenheid tussen mens en natuur. Dit neemt niet weg dat de dwalingen van het denken die Bacon omschrijft, opvallend herkenbaar zijn en ook voor ons goed om in het achterhoofd te houden.
Terwijl alle geleerden vóór hem de aarde als het vaste middelpunt van het heelal zagen, stelde Copernicus (1473 -1543) dat de zon het middelpunt van het heelal is. Deze Copernicaanse revolutie heeft ons wereldbeeld ingrijpend veranderd. Copernicus’ theorie werd eerst slechts beschouwd als een buitenissig idee. Pas in de 17e eeuw verwerft het aanhang en wordt het door de kerk veroordeeld.
Copernocus’ Planisfeer.
De Pool Nicolaus Copernicus wijdde zich aan het einde van zijn leven als kanunnik aan de studie van de antieke sterrenkundigen. Zijn hoofdwerk, De revolutionibus orbium coelestium, Over de omwentelingen van de hemelse sferen verscheen in 1543, het jaar van zijn dood. Terwijl alle geleerden tot dan toe de aarde als het vaste middelpunt van het heelal hadden gezien waar zon, maan, sterren en planeten omheen draaien, het zogenaamde geocentrische model, stelde Copernicus dat de zon het middelpunt van het heelal is. De aarde en planeten bewegen om de zon. Alleen de maan draait om de aarde. Bovendien wordt de afwisseling van dag en nacht niet veroorzaakt door de omwenteling van de hemel, maar van de aarde zelf. Dit wordt het heliocentrische model genoemd, naar het Griekse woord helios, zon.
Copernicus motieven voor deze, achteraf gerechtvaardigde, innovatie zijn niet helemaal duidelijk. Dat de aarde om de zon beweegt was immers in strijd met het gezond verstand en de onmiddellijke waarneming. Zij trad bovendien alle dan geaccepteerde natuurkundige beginselen met voeten. Veel praktisch voordeel had het nieuwe model ook niet. Het tot dan toe geaccepteerde sterrenkundige systeem van Ptolemaios voorspelde de bewegingen van de hemellichamen heel goed en het systeem van Copernicus bracht daarin vooralsnog geen verbetering.
De reden om toch aan zijn heliocentrische model de voorkeur te geven lijkt vooral esthetisch van aard: het is mooier. Het model zit logischer in elkaar dan dat van Ptolemaios en bezit een zekere wiskundige harmonie. Copernicus gaat er van uit dat de werkelijkheid gehoorzaamt aan zulke esthetisch-wiskundige maatstaven.
De aanvankelijke reacties op Copernicus’ nieuwe model.
Als werk van technische sterrenkunde kende Copernicus’ boek zijn weerga niet en het werd dan ook alom bewonderd. De verbeterde sterrenkundige tabellen werden snel algemeen gebruikt. Maar zijn ideeën over de bouw van het heelal werden door de meeste geleerden aanvankelijk genegeerd. Galileo Galilei was één van de weinigen die Copernicus’ ideeën volmondig verdedigden. Er bestond in de tijd van Copernicus een scheidslijn tussen het technische berekenen en voorspellen van de stand van sterren en planeten enerzijds, en een filosofische en natuurkundige visie op het echte heelal anderzijds. Het model van Copernicus wordt als technisch-wiskundig instrument geaccepteerd, maar de filosofisch-natuurkundige kant is veel problematischer. Het is immers in strijd met de leer van de Rooms-katholieke kerk en de klassieke opvattingen. De uitgever van het werk gaf voor de zekerheid in het voorwoord aan dat het om een wiskundige verhandeling ging, níet om een beschrijving van de realiteit.
Hoewel al vroeg werd opgemerkt dat het stelsel van Copernicus in strijd is met het wereldbeeld van de bijbel, werd zijn systeem eerst gezien als een buitenissige sterrenkundige theorie. Theologen maken zich er niet echt druk om. Pas in de zeventiende eeuw werd zijn stelsel een boegbeeld voor een nieuwe natuurkunde. Deze nieuwe natuurkunde negeerde de traditionele ondergeschiktheid van de natuurkunde aan het leergezag van de theologen. Toen pas kwamen er kerkelijke veroordelingen.
In populair-filosofische verhandelingen wordt nog wel eens beweerd dat de reden voor het verzet tegen het Copernicaanse stelsel was gelegen in het feit dat Copernicus de mens uit zijn centrale positie in het heelal had verwijderd. Dit echter is een later verzinsel en onjuist. Geen enkele veroordeling van het Copernicaanse stelsel geeft dit aan als reden.
De middeleeuwse mens zag de wereld niet in termen van centrum en periferie, maar eerder in termen van hoog-laag. De hemel was het hoogste en ook edelste, letterlijk meest verheven deel van de wereld. De aarde bevond zich in deze visie in de laagste, minst aanzienlijke plaats in het heelal, afgezien van de hel, die zich in het middelpunt van de aarde bevond. Copernicus maakte de aarde tot een hemellichaam en plaatste de mens dus in de hemel, juist een veel aanzienlijker plaats.
De problemen ontstonden toen de nieuwe zeventiende-eeuwse natuurfilosofische theorieën, die mede op het werk van Copernicus gebaseerd waren, als bedreigend werden gezien. De veroordelingen van het Copernicaanse stelsel hadden te maken met het feit dat in de Bijbel duidelijk sprake is van een geocentrisch wereldbeeld. In de nieuwe theorieën was minder ruimte voor wonderen en direct goddelijk ingrijpen. De nieuwe natuurfilosofie stelt bovendien de filosofie niet langer ondergeschikt aan de theologie. De problemen van de kerk hadden hier mee te maken, en niet met het feit dat de mens uit zijn centrale positie in het heelal wordt gestoten.
Leonardo da Vinci was een ware ‘homo universalis’. Naast schilder, tekenaar en beeldhouwer, was hij musicus, kaartenmaker, werktuigbouwkundige, ontwerper, architect en verdiepte hij zich in vakgebieden als de geologie, anatomie, astrologie en biologie. Eenvoudig is een leven met zoveel interesses niet. Net als de hedendaagse multitasker, had Da Vinci moeite met het afronden van opdrachten. Zelfs zonder nieuwe media, fragmenteerde zijn aandacht. Da Vinci leert ons dat dit geen probleem hoeft te zijn, als je maar goed blijft kijken.

Mens van Vitruvius, Leonardo da Vinci (circa 1490)
In 1452 wordt Leonardo net buiten Florence nabij Vinci (vandaar ‘da Vinci’) als onwettig kind geboren. Zijn vader was notaris en kon Leonardo een gedegen opvoeding geven, maar het notarisvak stond niet open voor bastaardkinderen. Al op jonge leeftijd – rond zijn 15e – stuurt zijn vader hem als leerling naar de werkplaats van kunstenaar Andrea del Verrocchio. Leonardo bleek uitzonderlijk talentvol. Hij bleef leerling tot 1477, waarna hij voor zichzelf begon.
In dienst bij de Hertog van Milan (Ludovico Sforza), breidde hij zijn werkgebied van de schilder- en beeldhouwkunst uit naar een diversiteit van andere activiteiten. Hij ontwierp wapens en toneeldecors, onderzocht kanalen, de natuur, geometrie en de sterrenhemel, verdiepte zich in mechanica en gaf advies op het gebied van architectuur. In opdracht van Sforza begon hij met het ontwerp van het grootste bronzen paard ter wereld. Hij was er zestien jaar mee bezig, maar het paard is – door politieke omstandigheden maar ook door Leonardo’s befaamde vermogen erg lang met een opdracht bezig te zijn – nooit afgerond.
In zijn werkplaats in Milan begon Leonardo met zijn anatomische onderzoeken. Deze volgens de kerk ziel-schendende activiteit, werd hem niet in dank afgenomen. Bovendien kon men lichamen destijds niet conserveren, dus moest Leonardo snel en vaak ’s nachts werken.
In 1500 vertrok hij naar Florence en werkte daar onder meer als militaire ingenieur. Na diverse opdrachten in Milan en Florence, vertrok hij in 1513 naar Rome. Hij bleef tot 1516, in dienst van Paus Leo X. In 1516 ging hij voor Koning Frans de Eerste in Frankrijk werken, waar hij ook stierf in 1519. Hij liet slechts zeventien schilderijen na.
Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci, op een muur in Santa Maria delle Grazie in Milaan.
Leonardo had een aantal bijzondere eigenschappen. Zo kon hij wreedheid jegens dieren niet verdragen en was hij vegetariër, een vreemd gebruik in het Italië van zijn tijd. Hij was linkshandig en schreef in spiegelschrift. Sommigen beweren dat deze manier van schrijven zijn creativiteit stimuleerde. Hij had afwijkende interesses. Anders dan concurrent Michelangelo, toonde hij weinig belangstelling voor de kerk en religie, en anders dan Dante had hij weinig op met de liefde. Slechts een ding interesseerde hem: de realiteit.
Het liefdesleven van Leonardo is overigens een hoofdstuk apart. Op zijn vierentwintigste wordt hij gearresteerd op beschuldiging van homoseksualiteit. Hij wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, maar zijn seksuele aard zou onderwerp van aandacht blijven, zowel in zijn eigen als in later tijden. De combinatie van mogelijke homoseksualiteit en vegetarisme, samen met het onvermogen werk af te ronden, vond Freud uitermate verdacht en hij schreef er een psychoanalytische biografie over: Eine Kindheitserinnerung des Leonardo da Vinci.
Leonardo was ervan overtuigd dat de gebruikelijke manier van kennisvergaring in de 15e eeuw, weinig echte kennis bood. Om de wereld te begrijpen, deed men in deze tijd van sterke geloofsijver een beroep op de bijbel en kerkelijke tradities. Gedurende de Renaissance kwam hier verandering in. Het ideaal van de teruggetrokken en contemplatieve monnik werd vervangen door het ideaal van de wereldse en actieve mens die het leven op aarde wilde begrijpen en praktisch verbeteren. Dit is terug te zien in de schilderkunst, die vaak nog religieus van aard is maar de aandacht sterker richt op de afgebeelde figuren zelf, in plaats van op hun religieuze betekenis.
Leonardo was het meest exemplarische voorbeeld van deze nieuwe, realistische en wereldse interesse. Hij wilde het object zelf leren kennen en begon – vooruitlopend op wetenschappelijke methoden – goed te observeren, te experimenteren en bovenal hele simpele vragen te stellen. Hoe vliegt een vogel? Hoe beweegt een hand? Waarom is de lucht blauw? Waarom liggen er resten van zeedieren op een berg?
De vraag stellen is één, hem beantwoorden is iets anders, helemaal als je traditionele kennis onbevredigend vindt. Het dwong Da Vinci tot nieuwe onderzoeksmethoden, vooral goed waarnemen. Om iets van vliegen te begrijpen, tekende hij heel precies alle bewegingen van de vogel na. En om waarheidsgetrouw te tekenen, wilde hij eerst zijn object begrijpen.

Leonardo onderzocht de spieren en botten van het menselijk lichaam, om het beter te kunnen afbeelden. Door systematisch, precies, herhalend en natuurgetrouw alles te tekenen en op te schrijven, probeerde hij de werkelijkheid niet door andermans, maar door eigen ogen te zien. Een belangrijk motto voor Leonardo is dan ook: Saper Vedere: ‘weet hoe te kijken’. Hij zag overal patronen en verbindingen (tussen een waterkolk en een bloem, tussen de bloedsomloop en rivieren), hij combineerde logisch denken met schoonheid, was gefascineerd door paradoxen en onduidelijkheid, hij toetste zijn kennis aan en in de praktijk en had leefregels om niet alleen zijn geest maar ook zijn lichaam gezond en krachtig te houden.
Leonardo wilde vooral alles zelf onderzoeken en ervaren. En de zintuigen – meer specifiek de ogen – vormen zijn belangrijkste bron. Hierin week hij af van andere humanisten, die niet de zintuigen maar de rede als bron van kennis zagen. In de traditie van het humanisme zie je beide methoden terugkomen, bijvoorbeeld in de ervaringsgerichte Hume, en in de op rede gerichte Kant.
Maar met aandachtig observeren kun je geen geld verdienen. Leonardo paste zijn vaardigheden dan ook toe op meer winstgevende gebieden, met name als ontwerper, architect en bedenker van wapens en ander oorlogsmateriaal.
Zijn tijdgenoten vonden niet al zijn ideeën uitvoerbaar, en sommigen waren ronduit vreemd, zoals de fiets en de hier links getoonde helikopter.
Naast vliegen, was water was een bijzondere interesse van Leonardo. In een tijdperk zonder elektriciteit was men aangewezen op de kracht van water als motor van beweging. Leonardo bedacht een kanon dat met behulp van stoom kon worden afgeschoten, machines aangestuurd door water en een machine die vochtigheid kon meten. Hij bedacht een kanalenplan voor Milaan, schoenen waarmee je op water kon lopen, een vest dat je drijvende hield en een onzinkbaar schip. Toegegeven, ook een arsenaal aan oorlogstuig, zoals bommen, tanks en geweren horen in het rijtje thuis, erg in trek in het altijd in oorlog verkerende Renaissance Italië.
Leonardo was in bepaalde opzichten een heel praktisch man. Hij bestudeerde de werking van stoom, de vleugels van een vogel, de spieren en botten van de menselijke voet, om een praktische taak beter uit te kunnen voeren. Maar hij was ook een theoretisch man. In plaats van de concrete vraag te beantwoorden, werd hij gegrepen door het object en begon een veel uitgebreidere studie dan nodig was voor het oorspronkelijke doel. Hij was bovendien een perfectionist en werkte traag. Efficiëntie was kortom niet zijn sterkste eigenschap.

En orde was ook niet zijn sterkste eigenschap. Voor degenen die moeite hebben met ordenen, zijn de notitieboekjes van Da Vinci een grote troost. De notities die Leonardo zijn leven lang maakte, zijn wonderlijke meesterwerken van beeld en tekst. Er zijn rond de 7000 pagina’s bewaard gebleven, een klein deel van wat hij werkelijk produceerde, naar schatting meer dan 20.000.
Wat de aantekeningen niet hebben is een systeem. Leonardo noteerde alles door elkaar: een idee, uitleg bij een tekening, afspraken, plannen, zijn avondmaal, huishoudelijke zaken en financiële uitgaven. Inhoudelijke staan de thema’s in willekeurige volgorde. Hij kon een pagina beginnen met een aantekening over de principes van astronomie of de beweging van de aarde, om verder te gaan met de wetten van het geluid en te eindigen bij suggesties over kleurgebruik. Hij schreef over de relatie tussen kunst en poëzie, om direct over te stappen naar een tekening van de ingewanden.
Voor degenen die hun communicatiestrategie en public relations niet op orde krijgen: Da Vinci had veel ideeën over concrete publicaties – hij vermeldt twintig geplande boeken – maar hij publiceerde vrijwel niets. Over zijn plannen schreef hij:
“Dit wordt een collectie zonder orde, bestaande uit verschillende pagina’s die ik hoop later op volgorde te zetten, op de juiste plek, volgens het onderwerp dat ze behandelen”. (M.C. Hall, Leonardo da Vinci, 2007)
Hij deed het niet.
Leonardo liet geen beeldhouwwerken na, maar wel zo’n 17 schilderijen, waaronder De Dame met de hermelijn hiernaast afgebeeld. Maar ook een nogal klein schilderij, donker van kleur en op onderdelen – waaronder een wijsvinger – niet afgerond. We zien – naast een scheur in het hout – een landschap, half realistisch en half verzonnen, aan de linkerkant vreemd genoeg een stuk lager dan rechts. Een licht gesluierde, verder onbekende vrouw heeft haar rechterhand op haar linker pols gelegd en zit in een stoel. Haar benen zien we niet. Over het schilderij hangt een merkwaardige waas, iets rokerigs. Dat was Leonardo’s nieuwe techniek van over elkaar geschilderde transparante kleuren. Veel realistischer en echter dan harde lijnen, meende hij. En het landschap vervaagt in de verte. Ook iets nieuws. De meeste schilders maakten ver gelegen objecten gewoon kleiner maar Leonardo had goed gekeken en gezien dat objecten ook vaag worden. Nog iets nieuws: de persoon op het schilderij kijkt ons aan. Ze zit naar ons toe gedraaid en haar ogen staren niet zoals gebruikelijk ergens links of rechts uit het schilderij, maar in onze ogen. Ze lacht. De Mona Lisa is het bekendste schilderij ter wereld.
Mona Lisa, detail
Leonardo da Vinci is een icoon geworden, en dat is eigenlijk jammer. Hij is zo bekend dat het moeilijk is om hem nog als gewoon persoon te zien. De man die beweerde dat je geen dogmatische tradities maar je eigen ervaring moet volgen, is zelf een dogmatische traditie geworden. En de man die altijd aandacht voor specifieke details had, valt nu in de algemene categorie ‘bekend en belangrijk’.
Misschien moeten we vooral iets leren van Da Vinci. Nieuwsgierigheid, aandacht, een oog voor onverwachte verbanden, creativiteit, geduld, brede belangstelling, goed kijken, experimenteren en vooral vertrouwen in je eigen vermogens tot onderzoek. Dat zelfs een homo universalis die streefde naar perfectie, verre van perfect is, kan ons realistisch houden. Maar dan wel realistisch á la da Vinci, door wiens ogen de concrete wereld een wonder wordt.
Met het begrip Entzauberung der Welt, de onttovering van de wereld, bedoelt de Duitse socioloog Max Weber dat in de modern-westerse, gerationaliseerde wereld in principe geen plaats meer is voor magische en onberekenbare machten. Het gevolg is het ontstaan van het zingevingsprobleem en als antwoord daarop het verlangen naar nieuwe betovering. De onttovering van de wereld en de utopische verleiding blijken dicht bij elkaar te liggen.

Weber in 1917
De terreinen die in Webers tijd dominant zijn en steeds meer het wereldbeeld en dagelijks leven bepalen – zoals de empirische wetenschap, het kapitalisme, het formele recht en de moderne staat en bureaucratie – worden naar zijn oordeel gekenmerkt door rationalisering, dat wil zeggen, door berekening en beheersing. De onttovering van de wereld, die volgens Weber slechts in de westerse wereld volledig is doorgevoerd, is door twee factoren op gang gebracht.
Ten eerste, wellicht verrassend, door een specifieke vorm van religie die magie als heilsweg afwijst. Dit gebeurt eerst in de vorm van het antieke Jodendom, omdat op Jahweh geen invloed kan worden uitgeoefend door toverij. Vervolgens wordt magie afgewezen in het ascetisch protestantisme. Terwijl een katholiek nog kan vertrouwen op bijvoorbeeld sacramenten, is dat voor een puritein taboe. Alleen Gods meerdere eer en glorie tellen. Het vertrouwen op of de verering van al het andere is afgoderij omdat het gezien wordt als een vergoddelijking van al het geschapene. Magie wordt door een puritein zelfs verworpen als duivels.
Ten tweede is de wereld onttoverd door de moderne wetenschap, die alle dingen door berekening beheerst. De wereld en de natuur worden door de moderne, autonoom geworden en principieel empirische wetenschap van alle geheimzinnige en goddelijke krachten ontdaan. De moderne wetenschap gaat ervan uit dat alles, ook wat men (nog) niet begrijpt, rationeel valt te doorgronden en verklaren. Principieel zijn er geen onberekenbare krachten meer.
De andere kant van Webers analyse is dat met de onttovering en rationalisering van de wereld ook iets wezenlijks verloren is gegaan. In een onttoverde wereld zijn er namelijk geen publieke, algemeen erkende waarden meer. Zoals hij het verwoordt in zijn beroemd geworden rede Wissenschaft als Beruf, Wetenschap als beroep, die hij houdt in november 1917 voor Duitse studenten:
‘Het is het lot van onze tijd, met de haar eigen rationalisering en intellectualisering, vooral: de onttovering van de wereld, dat juist de laatste en meest sublieme waarden zijn teruggetreden uit de openbaarheid, óf naar het (…) rijk van het mystieke leven, óf naar de broederlijkheid van de directe betrekkingen van individuen tot elkaar.’
Hierdoor is er volgens Weber een zinprobleem ontstaan. De mens moet in een onttoverde wereld zelf zin geven aan zijn handelen en bestaan, vanzelfsprekende levensordeningen zijn weggevallen. Als een rode draad loopt nu door Webers werk dat dit zinprobleem niet door de moderne wetenschap opgelost kan worden, omdat deze behalve de wereld ook zichzelf heeft onttoverd. Aan het begin van de 20e eeuw moet zij erkennen dat zij geen zin meer kan verschaffen en geen antwoord meer kan geven op de wezenlijke levensvragen, bijvoorbeeld de vraag hoe te leven. De wetenschap is niet meer de weg naar de ‘ware God’, de ‘ware natuur’ of het ‘ware geluk’. Voor Weber is de wetenschap nog slechts een zakelijk uit te oefenen beroep. De moderne wetenschap is, hoe succesvol ook, alleen nog maar een technisch middel en kan niets meer zeggen over de doelen die nagestreefd zouden moeten worden. Daarmee zou zij immers haar grenzen te buiten gaan. Vandaar dat Weber een hartstochtelijk pleitbezorger is van waardevrijheid in de wetenschap, naast onttovering een ander idee waardoor zijn naam zo bekend is.
Zo vindt men in Webers werk de ervaring verwoord dat het geloof van de Verlichting in de rede aan het begin van de 20e eeuw verloren is gegaan. Het 18e- en 19e-eeuwse optimisme heeft in Webers werk plaatsgemaakt voor een veel nuchterder, pessimistischer en harder mens- en wereldbeeld. In zijn werk zal men geen passages vinden over het bestaan van een harmonieuze wereldorde, zoals in de tijd rond 1800. Centrale termen in zijn werk zijn strijd, noodlot, chaos, beheersing, arbeid, specialisatie en dwang. De mens is in zijn ogen net zo min de schepper van zijn eigen lot als de samenleving maakbaar is. Zijn obsessie is juist dat mensen ontwikkelingen op gang hebben gebracht die een eigen leven zijn gaan leiden en zich nu tegen de mens hebben gekeerd. Hij gebruikt daarvoor het beeld van een ‘stahlhartes Gehäuse’, een ijzeren kooi. Het beroemdste voorbeeld daarvan is de bureaucratie. In Webers Duitsland is dit een enorme macht die van een oorspronkelijk middel, een doel op zichzelf is geworden en nu naar zijn oordeel de menselijke vrijheid bedreigt.
De waarneming van de onttovering van de wereld komt neer op de constatering van een groot vacuüm. In het razendsnel moderniserende Duitse Keizerrijk (1871 – 1918) is sprake van angst voor desintegratie en voor een verlies van identiteit. Hierdoor ontstaat een grote behoefte aan nieuwe zekerheden, religies en utopieën en ook: leiders. Vele Duitsers zijn vóór, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ontvankelijk voor charismatische leiders die orde in de chaos moeten scheppen, zowel op geestelijk als op politiek terrein. In Duitsland staat niet zo heel lang na Webers dood zo’n charismatische leider op die in de onttoverde wereld nieuwe zekerheid, orde en een ‘hoger’ doel brengt. Wanneer men onttovering opvat als het gemis aan een gemeenschappelijk, bezielend verband, dan is er een duidelijke samenhang tussen de onttovering van de wereld en de aantrekkingskracht van het fascisme, nationaal-socialisme en communisme op vele miljoenen mensen in de eerste helft van de 20e eeuw. De onttovering van de wereld en de utopische verleiding liggen dicht bij elkaar.
Het is geen toeval dat Weber in zijn eigen tijd vele pogingen ziet om de wereld opnieuw te betoveren, in welke vorm ook. De kunst en de wetenschap, maar vooral ook het nationalisme en het socialisme ontwikkelen zich tot plaatsvervangende religies waarvan veel heil en redding wordt verwacht. In Wetenschap als beroep zegt Weber daarom dat de oude goden weer uit hun graven zijn opgestaan om hun eeuwige strijd voort te zetten.
Het is een diagnose die ook uitstekend op onze tijd aan het begin van de 21e eeuw van toepassing is. Ook al wisselen de gedaanten van de goden, de strijd blijft.
Het moderne, twintigste eeuwse humanisme kan alleen begrepen worden als we vertrekken vanuit de belangrijkste betekenissen van het humanisme in de loop der eeuwen. Kenmerkend is ten eerste dat het een open, dialogische en inclusieve levensbeschouwing is die niet alleen buiten, maar ook binnen religies wordt aangetroffen. Het gelijkheidsbeginsel is de tweede centrale humanistische gedachte.

Het humanisme uit de 20e eeuw is een ongodsdienstige levensbeschouwing die put uit een rijke traditie. In de Renaissance van de 15e en 16e eeuw ontstond in de Europese talen de aanduiding humanist(e). Een humanist(e) was iemand die ernaar streefde om van het leven iets moois te maken door niet alleen in navolging van de Christus goed te leven, maar zich ook te laten inspireren en vormen door de geschiedenis, letterkunde en moraalfilosofie van de oude Grieken en Romeinen. Belangrijke Renaissance-humanisten waren Petrarca, Erasmus en Dirck Volkertsz. Coornhert. Historisch besef, een dialogische, open, verdraagzame en pragmatische houding en een afkeer van alomvattende gedachtesystemen waren belangrijke vruchten van dit humanisme.
In de Verlichting, de lange 18e eeuw, kwamen Bijbel, oude geschriften en traditie als toetssteen voor waarheid en humaniteit ter discussie te staan. De menselijke rede en ervaring namen die kritische rol steeds meer over. Veel christenen en joden begonnen vrij te denken en ook hun geloof nadrukkelijk van bijgeloof te ontdoen. Ze streefden naar een zo redelijk mogelijke godsdienst. Baruch de Spinoza geldt als een van de belangrijkste voorlopers. Belangrijke Verlichtingsdenkers waren verder bijvoorbeeld John Locke (zie hier en hier), Immanuel Kant, Voltaire, Denis Diderot, David Hume en Gotthold Lessing.
Het streven naar een redelijke godsdienst zou zich op twee manieren verder ontwikkelen. Enerzijds leidde het tot moderne, liberale, vrijzinnige en humanistische vormen van godsdienst. Anderzijds leidde het vooral na ongeveer 1860 tot groepen, organisaties en bewegingen van mensen die godsdienst niet meer als redelijk konden ervaren en modern humanisme gingen profileren als ongodsdienstige levensbeschouwing.
Deze historische achtergrond zie je terug in de twee centrale gedachten van het moderne, 20e eeuwse humanisme. Een van de meest centrale gedachten is: iedere levensbeschouwelijke positie, ook een godsdienstige, is en blijft contextgebonden mensenwerk. De Nederlandse protestantse theoloog Harry Kuitert (1924) drukt het mooi uit als hij schrijft:
‘Menselijke uitspraken worden niet méér waar als iemand zegt dat ze op openbaring berusten. Alle spreken over boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt. Ieder levensbeschouwelijk standpunt is van mensen afkomstig en kan met recht door andere mensen kritisch worden beoordeeld.’ (Zonder geloof vaart niemand wel, p.28)
De veronderstelde tegenstelling tussen godsdienst en wetenschap en de gedachte van een wetenschappelijke levensbeschouwing heeft de opvattingen over humanisme vanaf de 19e eeuw sterk beïnvloed. Met de bekende wetenschapsfilosoof en humanist Karl Popper ben ik van mening dat we niet moeten denken in termen van een tweedeling tussen wetenschappelijke kennis en onzin, maar van een driedeling. Zo kun je onderscheid maken tussen:
Eind 19e en begin 20e eeuw werd door veel vrijdenkers en humanisten de tweedeling gehanteerd, waarbij godsdienst gold als een van de belangrijkste voorbeelden van onzin. De meeste wetenschapstheoretici gaan tegenwoordig van de driedeling uit.
Levensbeschouwingen zijn geen onzin maar ze kunnen niet wetenschappelijk bewezen of weerlegd worden. Uiteraard is het verstandig als mensen in hun levensbeschouwing rekening houden met de resultaten van de wetenschappen, maar levensbeschouwingen gaan in hun uitspraken altijd verder dan wetenschappelijk verantwoord is. Wetenschap, hoe hoog ook geschat door humanisten, kan meestal niet de antwoorden leveren op existentiële vragen, laat staan onfeilbare antwoorden.
Een levensbeschouwing is een zingevingskader dat mensen helpt zin aan hun leven te geven in de wereld en de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Die wereld en omstandigheden veranderen voortdurend. Mensen passen zich volgens de humanistische filosoof John Dewey in hun werkelijkheidsinterpretatie en hun normen, waarden en idealen aan aan de omgeving (zingeving). Ook passen ze hun natuurlijke en sociale omgeving aan aan hun verwachtingen, behoeften, wensen en idealen (humanisering). Het gaat er in een levensbeschouwing om een goed verhaal te vinden waarin zingeving en humanisering beide tot hun recht komen.
Levensbeschouwingen zijn menselijke producten en veranderen voortdurend, zelfs als dat ontkend wordt. Veel gelovigen houden uit overtuiging rekening met de resultaten van de wetenschap en passen hun levensbeschouwing voortdurend aan. In een dergelijke context is het zinvol om te spreken over inclusief humanisme. Humanisme wordt dan opgevat als een open, dialogische en verdraagzame levensbeschouwing die inhoudelijk niet alleen te vinden is buiten godsdiensten en religies, maar ook daarbinnen. Dat betekent dat grote aantallen christenen, joden, moslims, boeddhisten en hindoes geen humanist zijn, maar veel andere christenen, joden, moslims, etc., wel. Het hangt er vanaf hoe begrippen als God, openbaring, spirituele energie, Zelf en reïncarnatie door mensen worden geïnterpreteerd en ingezet.
Een tweede centrale humanistische gedachte is: alle mensen horen elkaar als gelijken te zien en te behandelen. Dit beginsel heeft te maken met de gedachte dat niemand in een betere positie is dan jijzelf om te bepalen hoe jij leven moet. Die vrijheid en verlegenheid geldt voor iedereen. Niemand heeft het recht iemand anders de regie over zijn of haar leven af te pakken.
Dit gelijkheidsbeginsel heeft ook te maken met andere kenmerken van modern humanisme: de bereidheid tot dialoog en compromis; erkenning van twijfel en feilbaarheid; openheid, waardering voor diversiteit; de keuze voor democratie en voor de scheiding van kerk en staat; rechtvaardigheid en mensenrechten. Humanisme is principieel in strijd met alle vormen van discriminatie: het verschillend behandelen van mensen op irrelevante en onaanvaardbare gronden.
Net als de Eerste Wereldoorlog, bracht de Tweede Wereldoorlog een enorme klap toe aan het vertrouwen van de mens in zichzelf en zijn beschaving. Het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz groeide uit tot symbool van de onvoorstelbare verschrikkingen van het nationaal-socialisme. Rond een miljoen mensen werden in de gaskamers vermoord. Hoe kon dit gebeuren in een beschaafde, rationele, moderne en humanistische samenleving?

In de filosofie, wetenschap en kunsten staat Auschwitz symbool voor een universum waarin het leven in dienst staat van de dood. Een wereld zonder menselijkheid, gericht op ongekende destructie. Een onverteerde episode waarin de westerse beschaving haar schaduwzijde toonde. De Duitse filosofen Max Horkheimer en Theodor Adorno betoogden in hun Dialektik der Aufklärung, Dialektiek van de Verlichting (1947) dat we Auschwitz niet moeten zien als ontsporing of terugval, maar als volwaardige product van het moderne denken. De Brits-Poolse socioloog Zygmunt Bauman wijst in Modernity and the Holocaust (1989) in navolging hiervan op de cruciale rol van het wetenschappelijk biologisme, de bureaucratie en de industriële rationalisering, die resulteerden in een morele onverschilligheid.
Na de Tweede Wereldoorlog groeide geleidelijk het besef van wat zich in Auschwitz had afgespeeld. Dit leidde er toe dat traditionele filosofische, religieuze en politieke stromingen, inclusief die van het humanisme, geprobeerd hebben zich met dit verleden te verstaan. Zo ging het humanisme op kritische wijze haar eigen grondslagen onderzoeken. De fundamenten van het humanisme – rationaliteit en wetenschap – bleken niet alleen voor het goede maar ook voor het kwade ingezet te kunnen worden. Hoe kon een humanistisch georiënteerde beschaving tot dit enorme kwaad leiden?
Als term is Auschwitz breed en gelaagd. De aanduiding is concreet, verwijzend naar een schuldige plek, een plaats van herinnering, oord van rouw en overdenking, waar men naar toe kan gaan. Tegelijk is Auschwitz symbool voor de verschrikkingen in hun volle omvang. Alle aspecten en kenmerken van de nazi-terreur zijn terug te vinden, te beginnen met de opbouw, omvang en werking van de industriële moordmachine, de medische experimenten en de utopie van de raciale suprematie en zuiverheid, de uiteenlopende achtergronden van de gevangenen en de pogingen alle bewijsmateriaal te vernietigen.
Auschwitz staat voor een wereld waar wij geen greep op krijgen of, in de woorden van de Franse filosoof Jean-François Lyotard, Auschwitz is als een aardbeving, waarbij niet alleen levens, gebouwen en voorwerpen, maar ook de meetinstrumenten verloren zijn gegaan. Op grond daarvan kan men besluiten te zwijgen dan wel op zoek gaan naar andere middelen, een andere taal, nieuwe strategieën om te getuigen van deze verschrikkingen. De regisseurs Alain Resnais (Nuit et Brouillard, 1955), Claude Lanzman (Shoah, 1985) en Roberto Benigni (La vita è bella, 1997) hebben dit gedaan. Maar ook Jan Wolkers met zijn spiegelmonument Nooit meer Auschwitz in het Wertheimpark in Amsterdam, of de Amerikaanse tekenaar Art Spiegelman in zijn strip Maus.
Het humanisme baseert zich in haar visie op het leven, de maatschappij, de wereld en de kosmos in grote mate op de wetenschappen. Denk daarbij aan de natuurwetenschappen, de sociale wetenschappen, de geesteswetenschappen en de filosofie.
De geesteswetenschappen werden als specifieke tak van wetenschap in de 19e eeuw geïntroduceerd door Wilhelm Dilthey. De geesteswetenschappen richting zich niet op de natuur maar op de menselijke ervaring en de producten van de menselijke geest, zoals kunst, literatuur en religie. Terwijl bij de filosoof Kant de mens vooral een ‘kennend‘ wezen is, wil Dilthey de mens als ervarend en interpreterend onderzoeken.
‘Door de aderen van het kennende subject dat Locke, Hume en Kant construeerden, vloeit geen echt bloed, maar enkel het verdunde sap van de rede als niet meer dan een denkactiviteit. Ikzelf echter ben, door me (…) bezig te houden met de mens als geheel, ertoe gebracht om dit willende, voelende en zich verbeeldende wezen in alle verscheidenheid van zijn vermogens, ook tot het fundament van verklaring en van kennis te maken.’ (Dilthey)
Deze insteek is voor het humanisme van bijzonder belang. Dit geldt vooral wanneer de mens wordt gezien als:
Afbeelding: Wilhelm Dilthey
Behalve inhoudelijk zijn de geesteswetenschappen ook relevant vanwege een typerende benaderingswijze: de hermeneutiek. Hermeneutiek werd aanvankelijk opgevat als interpretatieleer. Met interpretatie wordt zowel het alledaagse begrijpen als het wetenschappelijk interpreteren bedoeld. Ook kan interpreteren gaan over de persoonlijke toe-eigening. Een toe-eigening die ervoor zorgt dat je je ontwikkelt en zodoende een ander en diens wereld beter kunt begrijpen. Interpreteren (of de wat verouderde term, Verstehen) staat tegenover de natuurwetenschappelijk methode. Deze wil vooral verklaren via causale verbanden, algemeen geldende wetten en statistische samenhangen (Erklären).
In de 19e eeuw behelsde hermeneutisch begrijpen vooral het achterhalen en duiden van de geestesgesteldheid van een ander. Mensen als Schleiermacher en Dilthey, proberen het innerlijke leven, de bedoelingen, gevoelens en gedachten van een ander te weten te komen. In de 20e eeuw verandert de insteek. Men wilde wilde nu gedrag en uitingsvormen van mensen (zoals verhalen) vooral begrijpen vanuit een cultuur en een traditie. Belangrijke auteurs zijn hier Gadamer en Ricoeur.
Sinds de vorige eeuw heeft hermeneutiek een ruimere betekenis gekregen; niet alleen als een manier van begrijpen, maar als een opvatting van het menselijk leven als geheel. Hierin verschijnt de mens als een interpreterend wezen. De humanistiek is de wetenschap van het menselijke bestaan tegen de achtergrond van humanistische tradities en gericht op humanisering en zingeving. De humanistiek is niet toevallig sterk hermeneutisch georiënteerd. Typerend voor de humanistiek is nu dat daarin oudere en nieuwere vormen van hermeneutiek even belangrijk zijn.
Iets begrijpen van het innerlijk leven van een ander is bijvoorbeeld belangrijk in humanistisch geestelijke begeleiding en bepaalde vormen van kwalitatief onderzoek. Het begrijpen van gedrag vanuit culturele contexten is bijvoorbeeld van belang in organisatieculturen, niveaus van beleid en maatschappelijke instituties.
Al vanaf de klassieke oudheid proberen sommigen zich te ontworstelen aan het gezag van de goden. Vanaf het einde van de Middeleeuwen en het begin van de Renaissance, verzetten zogeheten ‘vrijdenkers’ zich tegen kerkelijke autoriteiten en dogma’s. Het hoogtepunt van de vrijdenkersbeweging ligt in de tweede helft van de 19e eeuw en tijdens het Interbellum in de 20e eeuw. Men kan de vrijdenkerij het ondogmatische en atheïstische geweten van het humanisme noemen.
Aanvankelijk waren het individuen die het ‘vrije denken‘ droegen. Denk bijvoorbeeld aan Spinoza. Pas in het midden van de 19e eeuw groeide het vrijdenken uit tot een beweging, met eigen tijdschriften en verenigingen. Het vrije klimaat kreeg een sterke impuls door de grondwet van 1848 waarin onder andere de vrijheid van meningsuiting werd vastgelegd.
Vrijdenkers wilden autonoom zijn in hun denken en handelen, zowel op ethisch, wetenschappelijk als politiek gebied. Voor de wetenschap betekende dit: empirisch onderzoek en het toetsen van theorieën door experimenteren. Een kenmerkende uitspraak voor het vrijdenken aan het einde van de 19e eeuw is:
‘Wij nu wilden het volk gaarne gelukkig zien hier op aarde, gelukkig door verstand en wetenschap’ (Ten Bokkel, 1893)
Afbeelding: Uit Vrijdenkers tijdschrift De Dageraad: Magna est veritas et praevalebit (Machtig is de waarheid en zij zal zegevieren)
Het boek Licht en Schaduwbeelden (1854) van de arts en etnoloog Franz Junghuhn (1809-1864) wordt gezien als het startschot van het georganiseerde vrijdenken in Nederland. Vlak hierna – in 1855 – ontstaat het vrijdenkers-tijdschrift De Dageraad en in 1856 wordt de vereniging De Dageraad opgericht.
In de eerste jaren is het deïsme toonaangevend: god wordt gezien wordt als de schepper van natuurwetten. Maar geleidelijk, vanaf 1860-65, word het atheïsme dominant.
Zoals velen, aarzelde de vrijdenker Multatuli het begin tussen deïsme en atheïsme:
‘Ik ken u niet, o God! Ik riep U aan, ik zocht. Ik smeekte om antwoord, en Gij zweegt! De vader zwijgt, o God, er is geen God.’ (Multatuli, Gebed van den Onwetende)
Afbeelding: Multatuli
De vrijdenkers hadden een drietal belangrijke doelstellingen:
Het zoeken naar waarheid zonder dogma en compassie met de medemens, daar draaide alles om. Nederlandse vrijdenkers waren soms socialistisch en anarchistisch, zoals Domela Nieuwenhuis, maar ook links liberaal zoals Samuel van Houten en Aletta Jacobs. Deze diversiteit leverde dan ook de nodige discussie op. Moesten vrijdenkers gematigd of radicaal anarchistisch zijn in hun streven naar sociale rechtvaardigheid? De kwestie leidde tot een scheuring binnen de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Ook nu nog zijn humanisten en vrijdenkers zowel in socialistische als meer liberale huize te vinden.
Hoewel dus de ‘politieke’ kleur van vrijdenkers varieert, kenmerkt het vrijdenken zich tot op de dag van vandaag door een rationele en atheïstische inzet. De belangrijkste thema’s zijn en blijven:
Vrijdenkers hebben zich in onze tijd verenigd in De Vrije Gedachte. Misschien zou men, levensbeschouwelijk gezien, de vrijdenkerij het ondogmatische en atheïstische geweten van het humanisme kunnen noemen.